Nederland begon in 1946 met de eerste politionele actie. De Verenigde Naties, die brandnieuws supranationale volkenorganisatie, wier competentiekring en bevoegdheden nog niet echt vaststonden keurde deze militaire actie onvoorwaardelijk af. De operatie was genaamd “product”. Het was een duidelijke aanduiding. Het grotere bedrijfsleven wenste haar investeringen veiliggesteld via deze actie, die tactisch een volslagen succes was en buitengewoon kundig werd uitgevoerd door het koloniale leger, inmiddels aangevuld door oorlogsvrijwilligers en door dienstplichtigen die enorm onder druk waren gezet door hun superieuren om te embarkeren op de troepentransportschepen. Kruls had als organisator van dat alles grote eer van zijn inspanningen. Maar de wereld zag in deze actie stomweg een rekolonisatie-oorlog. Een daad van agressie. Gericht tegen een inheems volk dat zijn zelfbestemmingsrecht wilde verwezenlijken. Een recht dat al had ten grondslag gelegen aan het Volkenbondsstatuut van 1920, aan het Atlantisch Handvest van 1941 en aan de daarop verder gestoelde verklaringen over de staatsburgschapsrechten en de fundamentele vrijheden die namens deze organisatie al vast waren uitgevaardigd door Roosevelt en Churchill, node gevolgd door Stalin. Of er inderdaad op dat moment een Indonesisch volk was te definiëren dat eendrachtig dat recht wilde realiseren is zeer de vraag. Vermoedelijk niet. De Sumatranen Mohammed Hatta (1902-1980) en Soetan Shjarir (1909-1966) wisten heel goed dat Soekarno eigenlijk erop uit was de dominantie van Java te hervestigen over alle eilandgroepen. Dat Soekarno eigenlijk het rijk van Bantam, het mythische koninkrijk dat de Archipel in een soort theocratische vazalliteitsverhouding zou hebben overheerst, wilde restaureren in één eenheidsstaat waarbij de andere Archipelgroepen stomweg te gehoorzamen hadden wat Java dicteerde. Daar waren ze tegen. Maar hulp vanuit Nederland daarbij, was ze een brug te ver.

Met dienovereenkomstige belastingen, te heffen en op te leggen door Java. Ze wisten ook dat Soekarno voorlopig geen strijdmacht had die zelfs in een politiestaat de openbare orde, veiligheid en rust zou kunnen borgen aan de onderdanen en dat, zolang dat zo was, de economie niet aan het draaien te krijgen was. Maar ze wilden ook niet dat de Nederlanders zich zouden hervestigen als kolonisatoren. En ze wisten dat Den Haag dat juist wel wilde. Ze zagen in dat alleen Huib van Mook, de laatste landvoogd, begrip had voor de enorme verschillen tussen deze groepen die in eeuwen niet glad te strijken zouden zijn. Ze wilden Van Mook wel volgen in een soort tussenoplossing van een confederatie van de groepen. Maar ze wisten weer veel te goed dat Van Mook enerzijds niet kon rekenen op steun door Den Haag, dat werkelijk de ballen begreep van wat er in de Archipel aan de hand was, en anderzijds voorlopig niet in staat was via doeltreffende militaire operaties, hoe ook genaamd, deze confederatie dóór te zetten. Verder, dat Washington dacht dat Soekarno eigenlijk een cryptocommunist was en voorts dat hij in staat zou zijn de leiding in Het Verre Oosten wellicht over te nemen van zieltogend Japan. Dat in deze baaierd van onbeheersbaarheden het koloniale leger geen duidelijke strategische doelen wist te definiëren, ook al deed Generaal Simon Spoor nog zo stoer als veldheer. Ze besloten dus te zwijgen bij alle onderhandelingen met Den Haag.
Wel vriendelijk te blijven, je kon niet weten, maar nooit ronduit keuzes te maken voor een toekomstig staatkundig model. En zeker zich niet oppositioneel op te stellen jegens Soekarno, die ze, terecht, tot alles in staat achtten. Ook tot volkenmoord jegens volken binnen de Archipel die zich niet bij zijn ambities neer leggen zouden: een Ratoe Adil (Heilige Messias) te zijn van allen die hij zou hebben aangemerkt als Indonesiërs, een aanduiding die Soekarno nooit echt inhoudelijk naar biotisch-sociale kenmerken uitwerkte, hij was wel wijzer. In deze omstandigheden was het voor Den Haag, dat hier allemaal geen flauw benul had, in ieder geval handig om, als de restauratie van het koloniaal imperium mislukken zou, op de voorgrond tredende Nederlandse troepencommandanten van alle mislukkingen de schuld te geven, Generaal Simon Spoor voorop en dus in diens zog het schoppen-zeventje kapitein Westerling eveneens. En de schuld geven aan personen die zich nauwelijks adequaat konden verweren, dat kon Den Haag als geen andere bestuursorganisatie sedert de Unie van Utrecht. Dat zouden deze militairen merken. Ik denk dat Bauke Geersing, als hij de zaak-Westerling zo zou hebben uitgeserveerd, zich heel wat frustraties had bespaard. Maar die weg heeft hij vermoedelijk ook niet willen overwegen. Hij achtte zulks een omweg. En gordiaanse knopen placht Bauke Geersing met één vaardige sabelhouw door te hakken. Hij sprak met liefde over dat zijdgeweer, hem plechtig omgord door de KMA en vooral over de afhangende sabelkwast aan het fraaie gevest. Dat moet je, in woke tijden, niet doen.
