Bij de Partij van de Arbeid zat de Javaan Nico Palar, die in het door de Koningin samengestelde noodparlement was gekomen in 1946 voor de sociaal-democraten die hun positie in het vernieuwde Nederland nog niet recht helder voor ogen hadden, de partijgangers dus van de SDAP, de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij die in het interbellum zich vooral als revolutionair had doen kennen en niet vies was gebleken van staatsgrepen en zeker niet van ongrondwettig gedrag. Deze groep werd door de confessionelen en de conservatief-liberalen zeer gewantrouwd wat betreft hun positionering in wat het “Indonesisch Vraagstuk” zou gaan heten. Wilde deze groep inderdaad dat Indonesië uit het Rijkseenheidverband met Nederland losrukken? Dat blééf onduidelijk, vooral toen Palar in de gaten begon te krijgen dat Soekarno wel eens zou kunnen slagen in zijn soevereiniteitsambities als leider van een Eenheidsstaat. Palar zag in die staat veel perspectieven voor zichzelf. Als minister. Hij drong zich dus in bij de camarilla rondom Soekarno, maar liet deze ambities in het Haagse nog niet blijken. Hij zag in dat Soekarno veel gevoel had voor de nieuwe politieke verhoudingen waarin de Angelsaksen kennelijk aan Java wel een dominante rol wilden geven, mits ze maar de garantie kregen dat de eilandbewoners de Archipel aan de kant van het Westen zouden houden. Dus geen gemene zaak zouden maken met Moskou. En dat, om zulks te bereiken, de nieuwe Verenigde Naties een geweldige reeks podia konden bieden aan de nationalisten en hun kiezers voor een volksvertegenwoordiger op dat bestuurseiland.

Palar begon nu lijntjes te leggen met Soekarno die Nico afvaardigde naar New York als waarnemer voor de staat in wording om daar het pleit te voeren voor de nationalisten die niets anders wilden dan het staatkundig zelfbestemmingsrecht, grondslag van het VN-Charter, op eigen titel tot volledige uitvoering te brengen. De Eerste Politionele Actie gaf daarvoor het juiste fond: de Veiligheidsraad veroordeelde deze actie categorisch als daad van agressie door een kolonisator. Voorgelicht door Palar, die een waslijst van humanitaire vergrijpen ten laste kon leggen aan de Nederlanders en hun koloniaal leger. Daaronder prijkten ook de geweldshandelingen van het Depot Speciale Troepen op Celebes waarbij Palar uit den blinde een dodenaantal aan burgers wist te produceren tussen de twintigduizend en veertigduizend. Dat wekte in New York algemene verontwaardiging die niet afnam toen de minister van Buitenlandse Zaken Eelco van Kleffens een formeel legalistisch verhaal begon op te hangen in Queens English over de grief van Den Haag dat de Raad zich met binnenlandse aangelegenheden bemoeide van Nederland, omdat het hier helemaal geen veroveringsoorlog gold maar een vredesoperatie van politionele aard gericht op herstel van de openbare orde, mede via strafrechtelijke sancties via een evenwichtig standrecht. De Raad, aldus Van Kleffens, overschreed zijn mandaat ingevolge het Charter verregaand en dat wenste Den Haag ten scherpste af te wijzen.
Dat leidde tot grote woede van de landen die óók in een dekolonisatie-oorlog waren beland zoals Brits-Indie, Vietnam en Thailand die hierin pure Westerse Etikettenschwindel zagen: dan kon men de Britse geweldplegingen in gesloten militaire gelederen óók wel definiëren als politionele acties. Uiteraard stookten de leden van het politbureau te Moskou dat vuurtje flink aan. Van Kleffens gold toch al als een onuitstaanbare zelfingenomen frik die destijds Washington en New York ook had wijsgemaakt dat het Duitse bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 dertigduizend civiele dodelijke slachtoffers had gekost. Terwijl het er achteraf 815 waren geweest, nog te veel natuurlijk, maar daar gaat het nu niet om. En die vent kwam nu Palar voor leugenaar uitmaken? De gemoederen liepen hóóg op en daarvan werden commandanten als Raymond Westerling nu publicitair slachtoffer. Die gold nu onomstootbaar als massamoordenaar met command responsibility in de zin van het Statuut van het Neurenbergse Tribunaal. Drees was deerlijk ontsteld, kon zich niet voorstellen dat de VN heel Nederland daarvoor aansprakelijk wilde stellen en zocht naar de passende zondebok die dan verder de hitte der dagen zou dragen. En dat was Westerling over wie Drees vervolgens iedere laster als waarheid placht te aanvaarden. En aangezien Drees terecht voor het overige zeer respectabel was destijds, meer dan enige ander partijleider van de terugkerende politieke partijen bij de verkiezingen van 1946, zou Westerling die schande blijvend moeten gaan dragen. Ook al was aantoonbaar juist dat hij zijn bediening op Celebes had uitgeoefend conform de instructies en het bijbehorend standrecht. Dat hem gegund was. Door zijn militair gezag. Dat dat voorshands ook niet ontkende. Huib van Mook deed dat evenmin. Pas later is Den Haag ertoe over gegaan om dat standrecht te ontkennen. Dat kwam na 1950 beter uit. Voor Beel en Romme. Van de Katholieke Volkspartij.
