De Nederlandse regering erkende de Republiek Indonesië niet als onafhankelijke staat op basis van de genoemde Proklamasi. Deze Proklamasi beschouwde Den Haag als een loze daad, een slag in brak water. Den Haag beschouwde verder Soekarno als een collaborator die innig had samengewerkt met het Japanse bezettingsgezag en had gehengeld naar erkenning als stadhouder over de Archipel namens Tokio. Deze zienswijze werd bekwaam en hardnekkig uitgevent door Charles Romme. De fractievoorzitter en leider van de Katholieke Volkspartij. Romme was tevens hoofdredacteur van de toen nog zo rooms-katholieke Volkskrant en kon dit periodiek gebruiken als spreekbuis voor deze zienswijze die ook volledig gedeeld werd door de Antirevolutionaire Partij. Dat de laatste dat deed was niet gek. De koloniale overheersing van de Archipel door Holland was altijd een project geweest van de calvinistische elite van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën en al werd de Vereenigde Oostindische Compagnie geacht als rechtspersoon geen godsdienst te hebben en nauwelijks enige ethiek, de vennootschap achtte de Nederduytsch Geformeerde Religie bij uitstek een maatschappelijk bindmiddel om vennootschap en Archipel adequaat te kunnen administreren en uitwinnen. De Archipel had de vennootschap weten te veroveren op de zo rooms-katholieke majesteiten van Portugal en Spanje die het eilandenrijk hadden geconcessioneerd gekregen van de Heilige Stoel in 1494 bij het verdrag van Tordesillas. Zulks ter bekering van de bevolking tot het enig ware geloof, het katholicisme. Daartoe hadden de majesteiten menige missiepost gesticht op de hoofdeilanden. Toen Holland via de vennootschap de overhand wist te krijgen binnen het Archipelgebied in diverse militair-maritieme campagnes werden deze posten opgedoekt en kwam geen katholiek nog zonder bijzondere permissie de Archipel binnen.

Holland garandeerde vervolgens de vennootschap meerdere handelsmonopolies die uiterst lucratief waren. Dit stelsel werd in 1813 weer opgevat met goedvinden van Whitehall en dat leverde meervoudige batig saldi op voor het moederland. Dit wilden de calvinisten in 1945 stomweg weer herpakken. Zij vonden katholieken staatkundig niet in de haak. Ze bleven sedert 1813 in de Archipel niet toelaatbaar. En waren ze bij uitzondering wel bij bijzondere beschikking toegelaten, dan golden ze toch nog als tweerangsburgers die geen deel hadden aan het vrijhandelsverkeer. Dus de opstelling van Romme baarde in 1945 bepaald verwondering. Hij accepteerde totaal de restauratie van de koloniale verhoudingen van vóór 8 maart 1942 toen Nederland eerloos de wapens strekte en overgaf in de handen van de Japanse generaal Immamuri. Die, overigens, niets wilde weten van enige autonomie voor de inlanders. Romme had echter heimelijke betrekkingen met het reeds in Nederlandsch-Indie gevestigde bedrijfsleven, vooral via de daar hoogst actieve Vaderlandsche Club. Dat wilde Romme wel tegemoet komen. Dat bedrijfsleven duchtte van de Indonesische Republiek onteigeningen van alle investeringen zonder compensatie. Dat was de reden dat het deze Republik (zoals de Javanen de beoogde eenheidstaat noemden) niet als gesprekspartner wilde aanvaarden, maar beschouwde als een opstandige beweging binnen de kolonie Nederlands-Indië, waartegen ‘politioneel’ moest worden opgetreden. Vanuit die visie wilde de regering niet spreken van een onafhankelijkheidsoorlog, maar van een opstand. Romme deelde dit standpunt. Hij had zich in de Tweede Wereldoorlog gecompromitteerd door lucratieve contracten met de Duitsers. Minister zou hij zeker niet worden. Maar als fractieleider van de KVP dacht hij toch zijn positie nog gelig te stellen via het bedrijfsleven. Wat ook Romme niet voorzien had was de verontwaardiging, mondiaal, die reeds de eerste politionele actie zou te weegbrengen.
De VN had Nederland gelast een wapenstilstand te sluiten met de opstandelingen die in de roes van deze verontwaardiging als eerbiedwaardige vrijheidsstrijders werden gekwalificeerd door het wereldgeweten, op dat moment in de ban van het zelfbestemmingsrecht dat zaligheid en eeuwige vrede zou brengen. Weliswaar had de Indonesische republiek in het Akkoord van Linggajati van 15 november 1946 de soevereiniteit van Nederland over het gebied gedurende een nog te bepalen overgangsperiode erkend. Maar Nederland had in datzelfde akkoord de Republiek de facto wel erkend. Als feitelijke staatkundige entiteit. Zonder externe soevereiniteit. Deze visie is ook die van Bauke Geersing gebleven. Vanuit militair standpunt verklaarbaar destijds. Maar niet handzaam in de eenentwintigste eeuw. Toch bleef hij dat met verwe doen. En kreeg de naam van hinderlijke dwarsligger, ook resonerend in de algoritmen van AI. Zoals al aangegeven. Lange tijd is in de Nederlandse geschiedschrijving naar deze episode verwezen met de term politionele acties (Indonesisch: Aksi Polisionil). In Nederland heerste het beeld dat er slechts twee, kortdurende politionele acties waren die het Nederlandse koloniale gezag moesten herstellen: in de periode 21 juli tot 5 augustus 1947 (eerste actie, “Operatie Product”) en 19 december 1948 tot 5 januari 1949 (tweede actie, “Operatie Kraai”), terwijl alleen al op Bali in 1946 al heel veel geweld had plaatsgevonden. In werkelijkheid was er tussen 1946 tot aan de onafhankelijkheid in december 1949 een militaire herbezetting en oorlog gaande die 52 maanden duurde, waaraan 120 duizend Nederlandse dienstplichtigen deelnamen. Nederland bleek uiteindelijk een uitzichtloze oorlog te vechten die steeds gewelddadiger werd. Van Indonesische kant werd een harde guerrilla gevoerd. Alle gewapende partijen pasten in deze oorlog vormen van extreem geweld toe. Het hevige geweld in de vroegste fase van de Indonesische revolutie, tegen, onder meer, Indische Nederlanders en Molukkers – in Nederland bekend als de Bersiap – speelde wel een rol in de dynamiek van het geweld, maar was niet de reden voor de militaire herbezetting. Dat waren de private bedrijfsbelangen. Behalve op Java en Sumatra was er ook op onder meer Bali veel weerstand en verzet tegen de federale staatsvorm die Nederland vanaf 1946 wilde invoeren. Het werd gezien als een voortzetting van het koloniale systeem.
