Ons Rotterdams gezin woonde in dat Strijp aan de lange, lange Zeelsterstraat, op nummer 37, tegenover de bezinepomp van Boudoin. Die was schuins tegenover ons gelegen en kenbaar aan twee enorme Shellpompen met het Shellmotief in neonlicht erop, een glazen huis voor de bediende en een soort afdak daarboven met in blauw GARAGE BOUDOIN. Ook weer in blauw neon. Misplaatster kon het niet, want die straat was volledig landelijk zonder zelfs een rooilijn waraan de lintbebouwiong voldeed. De boerderijen, daggeldershuisjes met luiken, steedse woningen met erkers stonden schots en scheef door elkaar. Daartussen soms weiden, met daarin onzegbaar trieste Brabantse knollen die verongelijkt gras stonden te eten. Kippentooms op de weg, een onderstuk van een overgebleven beltmolen, een soort nijverheidsgebouw met gotische raampjes, rare hekken en poorten naar achtererven waar verward geloei klonk. Op straat schilderachtige gestalten, inderdaad soms gehuld in kielen, een enkel Eindhovens cornet aan het roomse hoofd, soms bolderend op klompen en nog vreemder volk wat zelfs zo nu en dan ineens bij nummer 37 kwam aanbellen, meestal tot deerlijke ontsteltenis van onze moeder. Vooral in deze donkere dagen van religieuze feesten. Dan stond daar ineens een kinderbent in onbegrijpelijke gewaden te zingen met een heiligschennend vaandel, flambouwen en lampions of loeiend door zelfgemaakte blaasinstrumenten dan wel beukend op foeketrommen: een soort potten of emmers overspannen met varkensblazen waarop een dof ritme werd voortgebracht via een rechtstandig te bewegen stokmechanisme met een zuigereinde.

Mijn moeder had terstond na vestiging in dit onherbergzaam oord besloten dat het hier ging om hottentotten of barbaarse inheemsen die een soort zeehondengebrul voort plachten te brengen. Men kon ze niet verstaan. Geen beginnen aan. Dat deed ze dan ook niet. Ons huis werd door de reclamebelichting van de garagist aan de overkant nu juist druk beschenen recht in de erkerpartij. Dat scheen deze inlanders helaas te provoceren tot aanbellen en daarna, wanneer open was gedaan, uit te barsten in ongeregelde oerwoudgeluiden van tjompen, tjuiken en dronkenmansgelal waarna men door woord en gebaar moest reageren, bijvoorbeeld door eieren te overreiken, snoep af te storten in een putemmer dan wel een geldstuk te deponeren in een open handpalm. En zulks niet één keer op een dag. Maar meerdere malen. En men werd dan geacht tot enige conversatie over te gaan waarbij men religieuze taal uitstiet. Nu had mijn moeder met enige inspanning dat stellig kunnen opbrengen, want haar kostwinnaar en hoofd harer echtvereniging kon het ook en Frans had ze toch óók geleerd in de zevende klasse van de lagere school aan de Rotterdamse Robert Fruin-straat. Ze kon zeggen, desgevallend, in dat schoolfrans: “Dankt u zeer goede lieden, voor deze aandacht en uw welwillende begroeting die ik gaarne wederkerig beantwoord, doch gaat u voort naar anderen met hetzelfde oogmerk als u mij in dit geval toedraagt.”
Als een blanke mevrouw in de Vorstenlanden van Java, destijds nog onze gekoesterde koloniale Archipelgroep dat kon in het bahasa-indonesia, zij het hortend, soms zelfs enigermate in het Hofjavaans, dan was dat toch ook op den duur doenlijk voor onze bestaansoorsprong. Maar dat deed ze niet. Ze stelde zich steil en ongenaakbaar in de vestibule op, zelfs niet welwillend neigend. Verstard, eindelijk, zoals die blanke mevrouw het ontbindend lijk van een meegezeulde dessa-inboorlinge aanschouwt die bij de recentste pestepidemie is overleden en uiteindelijk over twee maanden met haar huisslaaf begraven gaat worden zoals de plaatselijke hindoe-rite vereist. Dat recommandeerde ook tijdens de feestdagen niet tot het aangaan van hartelijke betrekkingen met wederzijds dienstbetoon. Zeelsterstraat 37 werd zo een plaatselijke exterritorialiteit waartoe alleen de assistent-resident werd toegelaten. Juist met kerst was dat in menig opzicht bezwaarlijk, ook al omdat de buurman die in steenkolen handelde vaak dronken placht aan te bellen om het Wolgalied te zingen voor moeder in persoon, waarbij deze man een eigen vervaardigd Russisch uitstiet, geknield op de linkerknie op de hobbelkeien.
