In verband met de aanval van de USA en Israël rept de NPO steeds van een interstatelijk geweldverbod, opgelegd door het VN-Charter in 1945 aan de toenmaals erkende soevereine staten. En inderdaad, ja, het volkenrecht kent inderdaad een algeheel verbod op het gebruik van geweld tussen staten indien zij bij die geweldpleging soevereiniteitspretenties hebben van territoriale aard. Dat wil zeggen, als zij het einddoel hebben het grondgebied van een andere staat effectief te bezetten of zelfs volledig te annexeren. Dan is sprake van een veroveringsoorlog, een agressie-oorlog, een dergelijke georganiseerde geweldpleging met militaire middelen met dat soevereiniteitsmotief is onvoorwaardelijk verboden. Dit is een van de belangrijkste fundamenten van de moderne internationale rechtsorde. Maar dat lijkt alleen maar volkomen duidelijk op het eerste gezicht: want op dat verbod bestaan weer zoveel redelijk vage uitzonderingen, dat je ook gerust kunt betwijfelen of het verbod algemeen en universeel is. Hieronder volgt de uitleg over hoe dit juridisch in elkaar steekt: Maar op eerste lezing lijkt het Handvest van de Verenigde Naties eenduidig in dit opzicht.

1. Het VN-Handvest (Artikel 2, lid 4)
Sinds 1945 is het geweldsverbod immers vastgelegd in Artikel 2(4) van het Handvest van de Verenigde Naties. Dit artikel stelt dat alle lidstaten zich in hun internationale betrekkingen moeten onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere staat.
2. Gewoonterecht en ‘Jus Cogens’
Zelfs voor staten die geen lid zouden zijn van de VN, geldt dit verbod. Het wordt namelijk beschouwd als internationaal gewoonterecht. Sterker nog, het geweldsverbod heeft de status van jus cogens (dwingend recht): het is een regel waar onder geen enkele omstandigheid van mag worden afgeweken door middel van een verdrag. Maar nu komen we toe aan de uitzonderingen op het verbod. En dan raakt die duidelijkheid toch weer op de achtergrond en zelfs in de deemstering. De NPO besteedt vrijwel geen aandacht aan die uitzonderingen. Allicht, want het gaat hier om commentaren gericht tegen Trump als een ontoerekenbare dorpsgek die de wereld naar een Armageddon wil voeren om aldus de aandacht af te leiden van de Epstein Files die steeds meer het vermoeden schijnen te rechtvaardigen dat Trump al jaren lang actief is betrokken geweest bij de door Epstein georganiseerde systemische ondicht ten laste van minderjarigen op zijn atoleilandengroep. Indien dat vermoeden door Het Congres wordt omarmd als basis voor een afzettingsprocedure – – impeachment – – kan Trump het schudden. Daaraan wil de NPO meewerken, graag, maar het moet niet te veel opvallen. Dat mag pas als de Senaat de inbeschuldigingstelling heeft bevestigd van de volksvertegenwoordigers in het Huis van Afgevaardigden. Wat zijn deze generieke uitzonderingen?
De drie uitzonderingen
Hoewel het verbod “algeheel” is in zijn reikwijdte, zijn er drie specifieke situaties waarin geweld juridisch gezien wél is toegestaan:
-
Zelfverdediging (Artikel 51 VN-Handvest): Een staat mag geweld gebruiken als reactie op een gewapende aanval. Dit mag echter alleen zolang de Veiligheidsraad nog geen maatregelen heeft genomen. Geanticipeerde defensie of noodweer tegen de aanranding van de territoriale integriteit is dus ook geoorloofd. De gewapende aanval moet aanstaande zijn (imminent) en hoeveel tijd gemoeid mag zijn met deze waarschijnlijkheidsberekening en naar welke maatstaven hangt af van de soort van wapens die gebruikt zullen worden door de agressor. Het is een heel verschil of het gaat om nucleaire ballistische wapens dan wel conventionele grondwapens, ook al gaat het om lange afstandsartillerie met uitgekiende vuurleidingsinstrumenten.
-
Autorisatie door de VN-Veiligheidsraad (Hoofdstuk VII): Als er sprake is van een bedreiging van de vrede of een daad van agressie, kan de Veiligheidsraad lidstaten machtigen om “alle nodige middelen” (inclusief militair geweld) in te zetten om de vrede te herstellen. De machtiging moet dan welbepaald zijn en beperkt naar tijd, plaats en staten. De Raad mag geen algemene machtiging afgeven van onbepaalde duur, want dan zou van het beweerde algemeen interstatelijk geweldverbod niet veel meer overblijven en de handhaving ervan zou een blatante illusie worden.
-
Instemming van de gastheerstaat: Een staat mag troepen sturen naar het grondgebied van een andere staat als die andere staat daar expliciet en vooraf om heeft gevraagd (bijvoorbeeld voor hulp bij het bestrijden van een rebellie of het voornemen een regime-verandering op te leggen zonder enige democratische legitimatie). Die instemming van de gastheerstaat was aanwijzing bij de abductie van Maduro, de president van Venezuela. Kennelijk stemde de resterende rompregering in Caracas met die abductie volledig en onvoorwaardelijk in en deed zij afstand van het beginsel van de onschendbaarheid van de territoriale integriteit van deze narco-staat. Want zij vervatte, hervormd, haar regeringsbevoegdheden. en vroeg de Raad van de VN niet om tegenmaatregelen te nemen tegen de USA. Ik gaf dat al aan. Ze gaf dus de waarborgnorm van het territorialiteitsbeginsel ex artikel 2 van het VN-Hadvest tijdelijk op.
Belangrijke nuance: Er is veel debat over de zogenaamde “Humanitaire Interventie” (ingrijpen om genocide of grove mensenrechtenschendingen te stoppen zonder toestemming van de Veiligheidsraad). Hoewel sommige landen dit moreel verdedigen, wordt dit door de meerderheid van de internationale juristen nog steeds niet gezien als een gevestigde legale uitzondering op het geweldsverbod.
