Kruisaanbidding en perfide Joden I

Kruisaanbidding en het gebed voor de perfide Joden

Kapelaan Piet Robben gold als een geducht liturgist die met kerkelijke ceremoniën in de giga-parochie Strijp vaak heel creatief kon omspringen, waarbij het hele gelovig Godsvolk ook actief ingeschakeld werd op ongedachte wijze, vooral in de eerste jaren na de slotsessie van het Tweede Vaticaans Concilie. Het waren de jaren, waarin de gelovigen te maken kregen met allerlei experimenten vanwege de het “aggiornamento” dat de Goede Paus Jan XIII de strijdende kerk voorschreef: het bij de tijd brengen van de plechtigheden die de Moederkerk in de loop der eeuwen had weten te ontwikkelen ter stichting van de gelovigen en afdemping van rituelen die iets te veel neerkwamen op hertalingen van Taxandrische tovenaarspraktijken die gangbaar bleven na 500 in Zuid-Oostelijk Brabant.

En in de Goede Week had Piet dus daaraan beide handen vol, want het wemelde die zeven dagen van de ritualistische eigenaardigheden die eigenlijk niemand in de stadsparochie helemaal begreep. Maar men was er in Eindhoven toch aan gehecht. De plechtigheden op de avond van Goede Vrijdag bleken daarbij een hele kluif, vooral die welke waren verbonden aan de Kruisverering, waarbij de acolythen een enorm kaal kruis van achteren uit het Kerkportaal Altaarwaarts sleepten, te midden van toortsdragers die zich óók in kruisopstelling hadden geformeerd. Die toortsen waren, totdat Piet heilzaam ingreep, gewoon de standaard-processielantaarns geweest, met de wassen gewijde kaarsen veilig weggeborgen in door ronde glazen omvatte houders met een deurtje dat je, nadat de brandende kaars in de houder  had geplaatst, betekenisvol afsloot via een venijnig grendeltje dat dan knipte.

Die toortsen waren dus gewoon de kaarsen op steel die we ook droegen bij uitvaarten, ter begeleiding van de kist. Dat vond Piet niet van deze tijd. Piet wilde echte walmende vlammen die hóóg uitfakkelden tijdens de voortgang van de kruisvaart naar de apsis, soms flink met rook en nederdruipend teerachtig vet waaraan de acolyth ook nog eens flink zich kon branden, want dat kruis was tenslotte een martelwerktuig van de Romeinen geweest en dat moesten ze in Strijp ter dege ervaren. De Strijpenaren vonden het “van meening schoon” allemaal, maar duchtten toch tevens voor hun zondagse kleding, want spatten deden deze toortsen soms ook, met knetterende geluiden.