Kruisaanbidding en perfide Joden II

Zo schreden we gevaarvol altaarwaarts, de kerk steeds meer bij de tijd brengend volgens de nieuwste voorschriften. Maar niet in ieder opzicht. Want de gezangen werden nog steeds in het Latijn gedaan en Piet bleef zich uitdossen in zwarte koorkap, bleef het missaal plaatsen op een dwaal over de altaartafel en bleef de oude aanroepingen doen. Allemaal weer “van meening schoon”.  Dat vonden we altijd. Daarover deden we niet moeilijk.  Niet in Strijp. Al bleef veel onduidelijk. Zo was het leven.

We baden wat af via deze aanroepingen, steeds weer knielend en opstaand. Voor de Heilige Kerk.  Voor de Paus, roemrijk regerend. Voor de geestelijkheid. Voor de gelovigen. Voor het gezag. Voor de doopleerlingen. Voor de noodwendigheden der gelovigen. Voor de eenheid van de Kerk. En uiteindelijk ook voor de bekering van de Joden, een Latijns gebed dat klonk als een vermoeide zucht, want we hadden allemaal al veel geknield en wederopgestaan. Allemaal in het Latijn. De Joden kregen nu te horen: “Oremus et pro Judaeis: ut Deus et Dominus noster auferat velamen de cordibus eorum; ut et ipsi agnoscant Jesus Christum Dominum nostrum.” Vertaald: Laten we zelfs voor de Joden bidden: dat onze God en Heer de sluier van hun harten wegneme, opdat ook zij Jesus Christus, onze Heer erkennen.” Gevolgd door: “Omnipotens sempiterne Deus, qui Judeaeos etiam a tua misercordia non repellis: exaudi preces nostras, quas pro illius populi abcaecatione deferimus; ut, agnita veritatis tuae luce, quae Chistus est, a suis tenebris eruantur.” Vertaald: Almachtige, eeuwige God, die ook de Joden niet uitsluit van uw erbarming, verhoor onze gebeden, die wij voor dit verblinde volk tot u richten, opdat zelfs zij het licht uwer waarheid, dat Christus is, erkennen en aan hun duisternis ontrukt worden.

Het volksvesperale vermaande ons hier géén bevestigend “Amen” op te doen volgen, niet te knielen en in kapittelkerken in de koorbanken met de schoenzolen te schuifelen om de chaos van de stoffelijke wereld te verklanken. Inmiddels was bij de acolythen de teer zo gaan druipen dat hier en daar brandwonden waren ontstaan. Niet heel erg, maar toch pijnlijk. Ja, dat waren de dagen van verstilling, inkeer en bezinning op het wezenlijke. Ik voel het nog.