Daarom stelt de stichting Arcadisch Madestein er ook prijs op in dit verband van heemkundige wandeltochten aandacht te besteden aan de oprichting van de kinderkolonie Meer en Bosch door de in de vorige Blog genoemde Joachim le Sage ten Broek. Want hiermede begaven de katholieken zich op een risicovol terrein: de zorg voor het sociaal minder bedeelde gezin en de kindersterfte, zo kenmerkend voor de negentiende eeuw, eigen aan de keiharde vrijhandel van het klassiek liberalisme. Met deze oprichting verzette Le Sage zich tegen de door Koning Willem I beperkt opgevatte openbare armenzorg. Le Sage meende dat de staat te dezen in belangrijke mate te kort schoot. En dat katholieke private initiatieven hier voor lediging moesten zorgen. De geschiedenis van de katholieke kinderkolonie Bosch en Meer is een fascinerend verhaal over sociaal engagement, religieuze gedrevenheid en de strijd tegen de armoede in het 19e-eeuwse Den Haag. Centraal in dit verhaal staat de markante figuur Joachim Le Sage ten Broek (1775–1847), een man die vaak de “vader van de katholieke journalistiek” wordt genoemd, maar die ook een diep hart had voor de minder bedeelden. De aanloop tot deze stichting is de verregaande sociale nood in de Residentie geweest. In de eerste helft van de 19e eeuw was de sociale situatie voor katholieke kinderen in Den Haag nijpend. Er was sprake van grote armoede, gebrekkige huisvesting en een gebrek aan katholiek onderwijs en zorg.

Le Sage ten Broek, zelf een bekeerling tot het katholicisme, stoorde zich eraan dat katholieke wezen en arme kinderen vaak aangewezen waren op protestantse instellingen, waar zij hun geloof niet konden praktiseren. Hij ging over tot de stichting van Bosch en Meer (1839), in de eerste notariële verlijding ook Meer en Bosch genoemd. In 1839 nam Le Sage ten Broek het initiatief om een eigen opvangtehuis te stichten. Hij kocht hiervoor een terrein aan de rand van Den Haag (vlakbij de huidige Scheveningseweg). De naam “Bos en Meer” verwees naar de natuurrijke omgeving van die tijd: de duinen, het bos en de nabijgelegen waterpartijen. Belangrijke kenmerken van de kolonie: Doelgroep: Het was bedoeld voor de opvang van verwaarloosde katholieke jongens en wezen. Filosofie: Le Sage ten Broek geloofde in een combinatie van godsdienstige opvoeding en praktische scholing. De kinderen moesten voorbereid worden op een ambacht zodat ze later zelfstandig in hun onderhoud konden voorzien. Financiering: Het project was volledig afhankelijk van liefdadigheid. Le Sage ten Broek gebruikte zijn eigen tijdschriften en netwerk om fondsen te werven bij de katholieke gemeenschap. De ontwikkeling en groei was stormachtig en daarmee reeds aan aanklacht tegen de uitvoering van de Armenwet-Van der Palm van 1806 die Willem I had overgenomen van de Koning van het Koningrijk Holland Lodewijk Napoleon die regeerde van 1806-1810. Hoewel het begon als een bescheiden initiatief, groeide Bos en Meer snel uit tot een belangrijke instelling. Na het overlijden van Le Sage ten Broek in 1847 werd zijn werk voortgezet, vaak onder de hoede van religieuze congregaties (zoals de Broeders van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten). Verhuizing: In de loop van de 19e eeuw verhuisde de instelling naar een groter pand aan de Nieuwe Parklaan. Modernisering: De focus verschoof langzaam van pure “kolonie” (waar het accent lag op tucht en werk) naar een meer moderne vorm van jeugdzorg en onderwijs. Ze vormt nog steeds de erfenis van Le Sage ten Broek. Bos en Meer was een van de eerste uitingen van de katholieke emancipatie in Nederland. Het liet zien dat de katholieke minderheid in staat was om eigen sociale voorzieningen op te zetten, onafhankelijk van de staat of protestantse organisaties. “Het was niet alleen een dak boven het hoofd, maar een bastion voor het behoud van de katholieke identiteit van de Haagse jeugd.”
