In de T(h)eresiakerk op de Strijpse Heuvel stond een enorme kerststal vóór het Sint Jozeph-altaar links ten opzicht van het hoogaltaar. De beelden daarin waren bijna even groot als de echte mensen plachten te ontwikkelen naar uiterlijke (meest volwassen) gestalte. Uiteraard was er onder de acolythen destijds een zekere competitie tijdens de nachtmis wie uitverkoren was het gipsen Jesus-kindje (uiteraard als zuigeling uitgevoerd) in de kribbe te leggen. Dat was meestal de boomlange Theo van der Zee die zonder de composities te verstoren die de koster, Kiske Loeffen had aangebracht, ook met een rode zee van kerststerren in de stal zelf, het wicht en één forse beweging in de kribbe kon leggen. Een jongenssopraan, luisterend naar de naam Ger-Jan Goosevoort, een naam die zonder meer van nature al iets kerstbel-achtigs had, zong dan vanaf het hoogkoor lyrisch “Hoe leidt dit kindeke hier in de kou/ Ziet eens hoe alle zijn ledekens beven/ Ziet eens hoe dat het weent en krijt van rouw/ Na, na, na, na, na, na, Kindeken teer/ Ei, zwijgt toch stil, sus, sus, en krijt niet meer/ Sa, ras dan, herderkens, komt naar de stal/ Speelt een zoet liedeken voor dit teer lammeken/ Mij dunkt dat het nu wel haast slapen zal/ Na, na, na, na, na, na, Kindeken teer/ Ei, zwijgt toch stil, sus, sus, en krijt niet meer/ En gij, o engeltjes, komt hier ook bij/ Zingt een motetteken voor uwen Koning/ Wilt Hem vermaken door uw melodij/ Na, na, na, na, na, na, Kindeken teer/ Ei, zwijgt toch stil, sus, sus, en krijt niet meer.”

Het mannenkoor, de bassen deze keer vrij baan gevend, bromde daarbij voortdurend dat na/na/na ondersteunend met veel vibrato en uithalen zodat de spontane waterlanders bij het vrouwvolk opdrongen. https://www.youtube.com/watch?v=kn6EaZPl6sQ. Geweldig was dat. De driekoningen waren er ook met hun obligate kameel die eigenwijs bedenkelijk voor zich stond uit te kijken, uiteraard op gevoelige afstand van de Goddelijke Zaligmaker die al volautomatisch verwarmd werd via schapen, os en ezel die snuivend tussen Maria en Jozeph instonden. Die kameel was dus ontzettend groot. Veel opzien baarde ook de Zwarte Koning met zijn grote rode mond en zijn glanzend oogwit die namens Afrika ook wat representatiegeschenken aan de Schepper van het Al kwam aanreiken.
Het was nooit duidelijk of hij nu gespecialiseerd was in de mirre of in de wierook, maar dat het allemaal dúúr was en prijkelijk, dat stond als een paal boven water. Prachtig was het! Hij scheen Balthasar te heten, deze man en gold ook als magiër en tovenaar, al zag hij daarvoor er wel erg plechtstatig uit. Nu Zwarte Piet uit onze volksfolklore is weggewerkt door de zwaar gesubsidieerde pressiegroep Kick Out Zwarte Piet ligt hier voor onze verdrukte medemens weer een nieuwe multiculturele verbindende taak om deze Balthasar ook op non-actief te stellen en als het even kan de hele kerststalgroep, dat gaat toch in één moeite door. En het geeft innige bevrediging aan de gemoederen van hen die alles zeer zuiver zien. Op de 28e was het daarna Onnozele Kinderen waarbij de Strijpse kinderscharen langs de deuren kwamen met hun lampionnen en hun dreinende zangen. Het was voor mij als Hollands jochie echt weer een openbaring. Ik hunkerde ernaar óók Onnozele te worden en daarin ben ik in ieder geval, dat kan ik nu wel vaststellen, volstandig geslaagd. De Bijbel combineert de dood, of beter: het sterven, enerzijds en de geboorte anderzijds hier met elkaar in een polariteitsspanning. De oudere generatie, en daarin vooral de regerende en besturende gezetenen, versus het nieuiw opkomend wassend geslacht dat door die gezetenen instinctmatig gevreesd wordt. Want de Joodse Koning Herodes vreest de pasgeboren Christus en om diens dood op zeker te weten roeit hij de ganse mannelijke jongelingschap van Rama maar geheel uit. Zonder uitzondering en zonder meedogen. Hier is de Openbaring weer geheel Helleens van strekking gelet op het oidipale grondmotief. Niet dat dat te Strijp enige rol speelde. Dat Strijp wist wel goed dat de mens midden in het leven in de dood stond en dat beleed het hier ritueel. Omdat het dat in zijn vijfhonderdjarig bestaan steeds weer ervaren had. Daarom is het opmerkelijk dat dat Strijp deze Onnozele Kinderen ook makkelijk liet varen in de zestiger jaren, toen welvaart ieders deel werd en sterven eigenlijk niet meer in tel was.
Op dit feest van de Onnozele Kinderen gingen, net als bij Sint-Maarten kinderen de straat op om te bedelen om snoep en geld. Kenmerkend is dat de kinderen verkleed als volwassenen langs de deuren gingen om hun lied te zingen. Dit bedelen om snoep en geld gaat terug op het kinderbisschopsspel. Bij het kinderbisschopsspel werd tijdens de vespers onder het Magnificat onder de scholieren van de parochieschool een kinderbisschop gekozen. Deze jongen trad dan enkele dagen in klooster- of kapittelkerk als bisschop op. Dat gebeurde soms in de kapel van het Theresiapension voor minvermogende ouden van dagen. Met een groep kinderen als aanhang ging dit bisschopje bij hoogstaande personen van kerk, parochie en publiek bestuur eten. Het kreeg daar ook kleine geschenken om naar eigen verdeelsleutel te distribueren. Houden mocht het bisschopje dat niet. Ook verkleedpartijen hoorden bij het feest en er werden geschenken gegeven aan de koorknapen. In veel gezinnen mocht het jongste kind op Onnozele Kinderen kiezen wat er die dag gegeten wordt. Maar bij ons thuis ging dat niet door. Wij waren import uit de randstad en hadden geen begrip voor deze subtiliteiten, al was ik graag even bisschopje geweest. Zo was ik wel. Door intriges ben ik heel even Prins Carnaval geweest namens de Rooms Katholieke Welpenhorde Sint Sebastiaan, maar dat dat geen succes was, dat voelde u al aankomen. Deze kersttijd stond bol van dit soort ceremonies in dat dierbaar Brabant. Volkomen onbegrijpelijk, vooral de herdenking van de kindermoord te Bethlehem. Maar spannend. Want je deed helemaal mee. Als slachtoffer. Of als dader. Dat maakte niet uit. Dat was eervol. Daarin zit iets moois.
