Palmpasen I

Palmpasenoptochten in Zuid-Oost Brabant

Op de zogeheten Palmpasenoptochten had kapelaan Piet Robben in Strijp nauwelijks greep. Op de Sint Willibrordusschool werden ze soms wel voorbereid door de Stichting Jeugd-atelier-Eindhoven onder leiding van een zekere Jaap Bardoel. Een kunstartist, ook dat nog.  Maar deze Bardoel moest deze traditie in deze volkrijke wijk van Eindhoven waar vooral glasblazers en vergelijkbare ambachtslieden van Philips woonachtig waren zo’n beetje van de grond af aan opnieuw uitvinden. Palmpasen was erg belangrijk.  Op de Radio kwam de Matthëus-passion. Van zeker Johann Sebastian Bach. Die Bach was protestants geweest. Foute boel dus. Maar Bach kon het niet helpen. Bach woonde nu eenmaal ergens in Pruisen. En daar waren ze Luthers. Dat was daar verplicht.  Zijn muziek ging over de kruisdood van Christus en was dus christelijk. De katholieken mochten ernaar luisteren, vooral als de Katholieke Radio Omroep (KRO) het uitzond. We moesten, voordat Bach losbarstte, uren lang, eerst onze Palmpasen afgeven bij bejaarden die er naar zaten te hunkeren op hun schamele kamertjes. We deden dat afzonderlijk, hoofd voor hoofd, meteen ná de hoogmis. We droegen de Palmpasenstokken stiekem en tersluiks over de kilometerslange Zeelsterstraat. Naar de ouden van dagen. Jammer eigenlijk, want er hing snoep in. En die bejaarden hadden geen tanden meer. En ze proefden niks. Maar ze hadden er recht op dat we de stokken afgaven aan hen. Niet gezamenlijk, want dat zou een optocht zijn en dat mocht niet. Want het liturgisch processieverbod in Zuid-Oostelijk Noord-Brabant had vanaf 1650 tot gevolg gehad dat in het publieke domein eigenlijk geen palmpasenoptochten meer mochten worden gehouden.  Dat waren roomse plechtigheden en bij de uitvoeringsbepalingen bij de Vrede van Münster die gaandeweg waren overeengekomen op basis van deze vredesregelingen waren die verboden in het openbaar, dus op de openbare wegen en paden of op een voor het publiek toegankelijke plaats. Dat wou de regering in Holland zo. Ook weer foute boel, want Palmpasen was het feest van Christus als een Koning, gezeten op een veulen en omringd door juichende mensen, net zoals PSV die de wisselbeker van de KNVB had gewonnen in het grote stadion aan de Frederiklaan. En als we mochten juichen voor PSV, dan voor Christus helemáál, maar in Holland wilden ze dat weer niet hebben, het lag gevoelig.

Wat een palmpasen-stok precies was, dat bleef nog wel in het Strijpse collectieve geheugen bewaard, maar deze stokken mochten niet meer in optocht worden uitgedragen ter inleiding van de Goede Week. De stok kwam zelf neer op een houten steel, zoals een veegbezem die had, met een houten hoepel daaraan bevestigd waaraan hardgekookte eieren in een soort rieten mandjes werden gehangen die weer met gele strikken waren opgesmukt. Verder werden gedroogde vruchten aan de hoepel in een ketting geregen gehangen, zoals druiven, winterappeltjes of sinaasappels, die door het bewaren redelijk gedroogd en gerimpeld waren, liefst ten getale van dertien, want er waren immers dertien Apostelen geweest toen de verrader Judas het voornemen had gevat de Alverlosser, de Zoon van God, te verraden bij het Sanhedrin. Christus wist er alles van, tevoren. Judas was ervoor naar de hel verbannen, nadat hij tevoren zelfmoord had begaan. En ook dat mocht niet, maar Christus belette het niet, aldus de heer Bardoel. Verwarring heerste dus op de zolders van de Sint Willibrordusschool. Omdat Christus ook God was. En God kon alles. Maar Judas tegenhouden, dat zat er even niet in. Dat hoorde tot de heilsgeschiedenis die God met katholieken voorhad. Dat was een mysterie. Dus moest je verder niet doorvragen, dat had kapelaan Verhoeven ons op het hart gedrukt.

De steel en de hoepel werden bekleed met bont kastpapier, helemaal beplakt zodat je geen hout kon zien. Dat had ook weer een diepere betekenis, die Bardoel wist het zeker, maar welke, dat was hij even vergeten. Een kunstenaar, nietwaar? Die rommelden maar wat.  Deze palmpasenstokken mocht je beslist niet zelf houden: ze moesten echt uitgedeeld worden om niet aan bejaarden en armen of minvermogende kinderen. In de praktijk kwam het er op de Willibrordusschool erop neer dat de stokken naar het Sint Theresiapension werden gebracht door de vervaardigers ervan, jongens en meisjes, die voor die gelegenheid mochten hokken op de zolders van genoemde school. Een heel voorrecht, want meisjes waren, als naaste gelegenheden tot zonde, tot deze school eigenlijk niet toegelaten, aldus sprak de bovenmeester Dekkers nadrukkelijk bij de aanvang van het geknutsel.  Wat er nu eigenlijk liturgisch aan dat alles was, zat kennelijk in de wit-broden haan die triomfantelijk op de stok gespitst werd en die door bakker Gerrits in de Bredalaan speciaal werd vervaardigd en afgebakken: Petrus immers, dat wisten we maar al te goed, had Jesus verraden toen de haan ten derde male bij het ochtendkrieken kraaide op de maandag na Palmzondag.