Pinckaerts op onderzoek per dienstfiets 1918

Pinckaerts nam de dienstfiets en reed naar het dichtstbijzijnde café bij de Zinkwit-fabriek van Eijsden om met Maastricht te telefoneren, met de garnizoenscommandant, de majoor G. (Gerard) Van Dijl (ook: Van Deyl). De fabriek was dicht op dat moment, maar dáár placht Pinckaerts diensttelefoontjes te plegen.  Het café ging om zeven uur open met het oog op de vroegmis. Soms wilde iemand daar dan toch een vroege bak leut, als hij niet te communie ging.  In de tussentijd scharrelden de grenswachters en de douanecommiezen tussen de wagens door. Een hunner wrikte met de bajonet de modderplakkaten van de nummerplaat van die tweede auto en ontwaarde de keizerskroon. De inzittende kwam uit zijn coupé en onderhield zich minzaam met de omgeving. Deze voorname persoonlijkheid, die met eerbied door de Duitse opperofficieren bejegend werd, deelde mede dat hij verwacht werd. Dat zei hij tegen de soldaten die onder bevel van Pincaerts stonden en tegen Pinckaerts zelf.

Hij gaf aan dat de Nederlandse regering van zijn overkomst verwittigd was, maar dat de koerier naar Eijsden, die onderweg zou moeten zijn met dat bericht, kennelijk verlaat was. Uiteraard bestaan over deze uitwisseling van mededelingen verschillende relazen.  Ruys heeft nooit nagelaten te benadrukken dat hij in ieder geval van niets wist. Op de hoogte gesteld van het feit, dat Pinckaerts de Keizer in de gelegenheid had gesteld op te wandelen naar het stationnetje Eijsden, tekende Ruys op de marge van dat bericht aan: “Het ware beter geweest zulks na te laten”[2].  Ruys was al op zoek naar schuldigen voor deze toegangsverschaffing en Pinckaerts, de laagste in rang in dat rijtje, was daar uitnemend geschikt voor. Ruys dacht ook de zwarte piet toe te spelen van ambassaderaad Verbrugge.  “Hoe en op wiens last is hij te Maastricht per automobiel gekomen? Bereidde de Nederlandsche legatie te Brussel de overkomst van den ex-keizer voor?” tekent Ruys aan op een nota van 10 januari 1919.

Krijgt Pinckaerts de schuld, dan is de zaak voor  de verantwoording van de minister van Oorlog, treft het verwijt Verbrugge, dan zit Van Karnebeek met de gebakken peren. Deze laatste, die verdomd goed op de hoogte is van alle arrangementen en óók dat Wilhelmina al in de zomermaanden in het uiterste geheim met de Keizer in verstandhouding is over wapenstilstanden, vredesregelingen en staatkundige hervormingen in Duitsland,  doet weten dat een brief naar Brussel is afgezonden om nadere inlichtingen. Die geeft Van Vollenhoven niet. Die wist hoe in Den Haag de hazen liepen. Toen. En nu. Het kabinet als geheel wordt overal buiten gehouden. Uit de dagboekaantekeningen van Aalberse blijkt duidelijk:  Ruys is door Van Karnebeek om de tuin geleid. Dat heeft Aalberse beseft, op den duur. Maar Ruys zelf niet. Die verklaart op 10 december 1918 aan de Tweede Kamer: “Noch rechtstreeks noch zijdelings heeft eenig regeringspersoon zelf ten deze iets verricht of eenige stap door een tusschenpersoon – genoemd wordt generaal Van Heutsz — gedaan.”