Grünau, de vleugel-adjudant van Gröner, deelt Wahnschaffe, de raadadviseur van Max von Baden, telefonisch vanuit Spa op de geheime lijn mee dat er gewerkt wordt aan een decreet waarin Wilhelm meedeelt af te treden als keizer, maar aanblijft als koning van Pruisen. Daarop ontploft Wahnschaffe met de vervloeking dat dat verdomme niks helpt, want dat de Duitse constitutie bepaalt dat de koning van Pruisen van rechtswege Duits keizer is. Wilhelm moet van beide waardigheden afstand doen, daar gáát het al die tijd om, zijn ze daar in Spa nu helemaal gek geworden? Aldus de adjudant Sigurd von Ilsemann in zijn dagboekaantekeningen over de laatste jaren van Wilhelm na oktober 1918. Als het er niets meer toe doet wat Wilhelm nog beweegt, gedaan heeft, doet of zou willen. De adjudant Grünau te Spa is beledigd en gooit de hoorn op de haak. Hij zal de wanconstructie dus wel bedacht hebben en zich erg slim hebben gevonden. Terstond begint het rinkelen weer. Op den duur werd te Spa de hoorn naast de haak gelegd. Berlijn kreeg alleen nog maar de ingesprekstoon door. De verbinding was dus niet parallel geschakeld zoals die van de al besproken geheime lijn waarop Gröner zich bij de verblufte Ebert zou melden iets na twaalven middernacht op de tiende november.

Toen derhalve Von Baden de abdicatie afkondigde, gaf hij publieke ruchtbaarheid aan een nog niet vaststaand staatkundig feit. Hij droeg het kanselierschap namens een vooralsnog onbekend staatshoofd over aan een onbevoegde burger. Die geen flauw idee had wat hij met die aanstelling, geldig of niet, zou moeten doen of behoorde te doen. Niet, dat dat na meer dan honderd jaren er nog iets toe doet. Wilhelm krijgt nu van iemand te horen dat hij is afgezet. Door zijn Rijkskanselier. Hij reageert met de kreet dat dat verraad is. Dat dat helemaal niet kan. Dat hij zijn keizerlijke positie niet ontleent aan de grondwet en niet aan de instemming van het volk. Hij is immers Keizer bij de gratie gods.
Hij neemt het niet. Hij wordt steeds woedender. Hij overlegt hier, Hij overlegt daar. Maar Wilhelm is nu de dead man walking. Niemand wil met hem nog echt te maken hebben, allen wenden zich nerveus van hem af. De kroonprins komt weer eens langs. Hij beveelt een goede lunch aan. Dan ziet het er straks allemaal veel beter uit, met een sigaar, koffie en cognac. Wilhelm beseft de ommekeer in de sfeer. Wat hij ook is, hij is hier niet meer de “Allerhoogste”. Daar kan hij niet tegen. Het wordt hem te veel. En zoals altijd, besluit hij dan maar de scène te verlaten totdat opnieuw gordijn wordt gehaald voor een volgende acte. In de middag besluit hij dat hij zal gaan. Naar Holland. Maar niet voor de volslagen duisternis. Dat is belangrijk. Per trein. Hem wordt bericht dat die trein zal kunnen doorstomen naar Holland, naar een gastverblijf van standing. Bij een zekere Graaf Godard Bentinck. Die kent hij. Welzeker. Lid van de Johanniter Orde, net als de Keizer die zelfs grootmeester is. Godard, graaf van Aldenburg Bentinck. Nette vent, wel. Nu, dat moet dan maar.
