Stembusgang VI

Bij het opnieuw inwilligen van een ontslagaanvrage door twee reeds demissionaire ministers, Van Thijn voor Binnenlandse Zaken en Hirsch Ballin voor Justitie gierden de emoties ook weer door de gangen van de direct betrokken departementen. Het ging hier om een race tussen beide ministers die beiden politiek verantwoordelijk en aansprakelijk gesteld dreigden te worden voor de totaal uit de hand gelopen affaire die bekend staan als de IRT-zaak. Deze zaak had te maken met een nieuwe opsporingsmethode inzake internationale cocaïne-handel  vanuit Columbia via de Nederlandse Antillen, natuurlijk weer over Amsterdam. Deze drug werd in destijds onvoorstelbare hoeveelheden over vele schakels in een criminele internationale organisatie via Nederland in West-Europa ingevoerd. Er werd een speciaal interregionaal rechercheteam, IRT genaamd, voor Noord-Holland/Utrecht opgericht dat een nieuwe opsporingsmethodiek zou gaan hanteren waarbij de drugs “gecontroleerd werden doorgelaten” onder supervisie van het Openbaar Ministerie te Haarlem dat uiteraard die supervisie spoedig kwijt was.

Met als gevolg dat de drugs met grote straat- en marktwaarden via Nederland in het EEG-gebied terechtkwamen. Dat doorlaten geschiedde welbewust met de bedoeling om meer van de betrokken smokkelbende(s) en de daarbij zowel de betrokken daders als hun “frontstores” oftewel dekmantelbedrijven in kaart te kunnen brengen. Dit betrof schijnbaar oorbaar handelende, doch ondertussen malafide dan wel slechts deels bonafide ondernemingen: bedrijven die waren opgezet of overgenomen als façade als deze. Deze in kaart te kunnen brengen was het eindoel van het Haarlemse IRT. Maar dat werd noch door het Openbaar Ministerie noch door de departementaal betrokken bewindslieden gesteund. Die lieden, dat werd steeds duidelijker, begrepen er niets van. Zij gaven geen leiding. Maar ze werden misleid. Door de politietop Amsterdam. Hoofcommissaris Nordholt.

Als geheel nieuwe opsporingsstrategie werden welbewust nieuwe binnengesmokkelde grote partijen drugs juist niet onmiddellijk onderschept, doch daarentegen ongemoeid en oogluikend, als schijnbaar onopgemerkt doorgelaten en heimelijk gevolgd naar hun uiteindelijke bestemming. Van deze opzet kwam niet veel terecht. Daarbij ontstond uiteraard, gelet op de gebrekkige controle, een ondoorzichtige situatie, waarin de ingezette “groei-informanten” die moesten berichten over nieuwe deelnemingen aan en in dit circuit en mogelijk ook opsporingsambtenaren steeds verder verwikkeld raakten in (lucratieve) strafbare feiten, waarbij de verdenking ontstond dat zij daarvan zelf meeprofiteerden.

Een en ander begon sterk te lijken op een onduldbare belangenverstrengeling onder een dekmantel van opsporing, waarvoor hun superieuren niet langer verantwoordelijkheid wilden dragen. Steeds vaker vielen namen van hooggeplaatste politiechefs te Amsterdam. Voor het onderzoek naar de consternatie die dit tot gevolg had, werd de commissie-Wierenga ingesteld. Er waren ondertussen grote spanningen ontstaan tussen de politiekorpsen Amsterdam en Utrecht waarbij onder andere corruptiebeschuldigingen over tafel gingen. De commissie-Wierenga kwam met een rapportage waarin de Amsterdamse politie de schuld werd toegeschoven. Ondertussen was al zoveel over misstanden in de opsporing naar buiten gekomen dat in de Tweede Kamer werd gevraagd om een diepgaande parlementaire enquête.

Het werd duidelijk dat Van Tijn als burgemeester van Amsterdam had zitten slapen en dat Hirsch de vinger nooit aan de pols had gehouden. Er dreigde een desastreus eindrapport. Om nu de ander de schuld te kunnen geven ontstond een wedren tussen genoemde ministers: wie zou het eerst  ontslag kunnen krijgen vóór de ander? Want dan zou die ander de schuld kunnen krijgen zich niet in de enquête te willen verantwoorden.  Hijgend renden de ambtenaren heen en weer tussen departementen en paleis waar een verbolgen Beatrix vaststelde dat ze gepiepeld werd omdat ze iemand niet nog “wegger” kon sturen dan “weg”. De Nederlandse taal stond dat volgens de Majesteit niet toe en Hoogstderzelve weigerde het dan ook onbegrijpelijke concept-Besluit te tekenen. En ook dat bleek ongedacht heilzaam. Toen nog wel. Nu niet meer. Ik vrees dat er geen redden meer aan is voor ons staatkundig bestel.