Tilburgse intriges V

U moet bedenken dat de Katholieke Hogeschool Tilburg sedert de feitelijke oprichting ervan in 1927 een superconfessionele instelling was geweest. In 1968 hadden de Roomse studenten, allemaal van de aanmerkelijk betere klassen, de Hogeschool bezet en de instelling Karl Marx-universiteit genoemd. Ze hadden geen idee wat ze wilden, maar destijds was Parijs revolutionair gistend omdat het scheen dat de hele wereld in gisting stond. Wat de studentenleiders dáár wilden met hun dwaze opstanden tegen de universiteitsbesturen wisten ze ook niet, Ze wilden de maatschappij omverwerpen en ze wilden erkenning als studie-arbeiders die recht hadden op studie-loon met indexering. En er moest gelijkheid zijn voor iedereen. Iedereen moest recht hebben op de doctorandustitel, zogezegd. Er moest vooral ook veel vrije sex zijn in aparte daarvoor van overheidswege opgerichte instellingen van maatschappelijk hulpbetoon. Cohn- Bendit was hun aanvoerder bij het uitonderhandelen van deze eisen die allemaal in het redelijke vlak lagen en doenbaar waren, zei deze Danny die én Joods én Duits was en die zo nu en dan ook deswege van kleur verschoot naar gelang de omstandigheden als het goed uitkwam een vervolgde semiet te zijn dan wel een miskende Germaanse volkstelg die door Fransen aan de Sorbonne niet gerespecteerd werd, ook al omdat hij  naast jeugdpuistjes op wangen en slapen rood haar had van een verschrikkelijk lelijke changeante kleur bij daglicht. Deze Danny had uit het hok van een van de faculteitsconciërges een megafoon met electrische aanstuwing gevonden en dat maakte hem dus tot een politiek figuur van grote importantie waar zelfs de President van de Franse Vierde en Vijfde Republiek mee ging rekenen: Generaal de Gaulle.

Die was zelfs tijdelijk voor Danny weggevlucht naar het Duitse Rijnland. Kijk: dat wilden die Tilburgse studenten nu óók wel eens. Iets dergelijks. In 1968. Maar jammer was dat deze studenten in deze textielstad geen weerstand van enige betekenis ervoeren van hoger hand. Niet van staatswege. En niet vanuit de didactische instelling. Integendeel, onderwijsminister Veringa wist niet hoe snel hij alle onvervulbare eisen moest erkennen en de politie had opdracht gekregen om vooral geen geweld te gebruiken, ook niet bij de vernielingen en bij de sexuele sit ins die toch openlijk voltrokken werden in de gangen van de recentelijk fonkelnieuw opgeleverde gebouwelijkheden. Deze ceremonies kwamen hier en daar neer op groepsverkrachtingen omdat er opvallend weinig meisjes voorradig waren, een defect waaraan niet op korte termijn van overheidswege iets kon worden gedaan. Daarna was de zaak ook weer als een nachtkaars uitgeflakkerd. Stel dat Veringa huiverend naar het Rijnland was gevlucht: daar had geen hond van wakker gelegen.

Maar het universitair personeel bestond nog wel jaren uit kloosterlingen en wereldgeestelijken die nu ook hadden ervaren dat zij toog en habijt moesten uittrekken en dat ze van het standpunt van het wederrechtelijk opgelegde celibaat uit eigenlijk zich moesten overgeven aan een inhaalslag van ontremmingen. Binnen een overheidsaanstelling.  Dat deden ze dan ook, al was er dat  bestendig tekort aan meiden. Ze kregen, om die slag te kunnen slaan, dan ook aanstellingen bij de ondersteunende logistieke diensten waarvan de zin volkomen onduidelijk was Als semi-ambtenaar met een dijk van een salaris.  En secundaire arbeidsvoorwaarden waar een paard de hik kreeg. Zo was mijn personeelsambtenaar een wat gefrusteerde ongeschoeide Carmeliet. Wat deze beambten gemeen hadden was een grote afkeer van de Alleenzalig Makende Moederkerk. Die moest bestreden worden via de arbeidersklassen. Die tot permanentie revolute moesten worden omgeturnd. En verder was er veel aandacht voor het aantrekken van lekkere meiden op posities die ze niet aankonden. Want zo’n Carmeliet moest ook heel wat lichaamsvocht bijwege van achterstallig onderhoud kwijt, dat snapte het sosjiaale grondvlak van straathoekenwerkers óók.

Daarom was er ook heel best veel begrip voor die plotselinge toewending van die tweede sosjiaalistiese hoogleraar tot die Sabena-stewardes. Ook bij mijn personeelconsulent. Die kans kreeg een vent van midelbare leeftijd maar zelden en je moest het ruim zien. Daarom bleef het ook zo opmerkelijk lang stil toen die geheime onderzoekscommissie ondergronds aan het wroeten was, al wist ik dat niet. Maar ik zag dat allemaal niet in voldoende actieperspectief. Dat werd mij veel later ook wel duidelijk gemaakt in een eindconclusie van een heel lang rapport over mijn defecten dat ik nooit ontvangen heb. Niet dat ik tegen die conclusies iets zou kunnen doen, hoor, dat weet ik ook wel. Maar omdat het wijde verspreiding kreeg over alle zusterfaculteiten was dat toch ook wel lastig. En bij de rechtbanken was het ook beschikbaar. Dat bleek wel bij diverse sollicitaties mijnerzijds. Het zat goed in elkaar. Deze activistische tactiek. Die toen in sociaal-democratische gremia gewoon was. Een basis strategie die de oudere jongere uit de Tilburgse vakgroep rechtsgeschiedenis had ontworpen ter verkrijging van die nieuwe rang in schaal veertien. De tactiek die ook Hugo Brand Corstius ontwikkelde tegen de crimininoloog Buikhuizen te Leiden die nog net geen zelfmoord pleegde. Hugo was er best trots op. Hij kreeg dan ook deswege een staatsprijs. Voor zijn litteraire prestaties.