Nu kwam ik betrekkelijk veel op de juridische faculteit van de Tilburgse Hogeschool en was niet ongevoelig voor de wat branderige atmosfeer die binnen de vakgroep strafrechtswetenschappen was ontstaan in 1983. Er broeide iets, maar wat, daar kreeg ik geen vinger achter. Ik wist wel dat Wim en ik achter onze rug werden belachelijk gemaakt als geborneerde confessionelen en mensen die weinig gevoel hadden voor de nieuwe, zich baanbrekende revolutionaire denkbeelden rondom het emancipatoire individu dat aan absolutie zelfontplooiing toe was zonder belemmeringen van hoger hand. En zeker niet via strafrecht. Anderzijds was de samenleving van deze individuen maakbaar. Daarbij kon het strafrecht zeker een instrumentele rol spelen: het kon bijvoorbeeld ingezet worden ter economische ordening of tot borging van ecologische integriteit. Dat instrumentalisme was goed mits het maar ingezet werd voor een betere maatschappij. In deze tijd was de Rijksoverheid bezig de agrarische sector koud te saneren via de interimwet-Meststoffen die in het wetgevingstraject aanhangig was, met draconische sancties als totale stillegging van de bedrijfsvoering, onttrekking aan het verkeer van alle hulpmiddelen of instrumenten waarmee een bepaalde productiewijze werd uitgevoerd bij de productie van biggen en varkens in diverse uitvoeringen. Dat was goed. Heel goed. Vonden veel mensen. Daarbij niet in acht nemend dat de agrarische sector door Den Haag was geprest om tot deze productiewijzen te komen. Al sedert het midden van de vijftiger jaren. Wie niet meedeed kon het schudden en werd ontstellend gecriminaliseerd. Ik heb meegemaakt, destijds, dat hele families van boerenhuize werden aangemerkt als criminele organisaties in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Daar tegen had ik grote bezwaren en die zette ik hardgrondig uiteen in een handboek strafrecht voor de Open Universiteit.

Nu ja, ieder zijn vak, en ik meende dat deze strafrechtelijke inzet niet overeen kwam met de garantieve waarborgnorm die de wetgever ten grondslag had gelegd aan het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht dat strafrecht altijd per definitie ultimum remedium moet zijn. Ik zette dat blogsgewijs uiteen. Op deze site. Maar met de vakgroepgenoten, die wisten dat Wim en ik een Leerboek van het Nederlandse Strafrecht trachtten te componeren, heb ik daarover nooit van gedachten kunnen wisselen. Die vonden dat onzin. En daarmee stonden zij aan de Goede Kant. Dat zou mij ook wel blijken. Dat Leerboek, dat was een onzinnig project, wij konden niet behoorlijk studeerbaar schrijven hoorde ik via-via, welk een aanmatiging onzerzijds, en wat een vreemde dogmatiek lag daar niet aan ten grondslag. En bovendien waren wij bezig de geschiedenis terug te draaien. Zoals ook overtuigend bleek uit de standpunten die wij schenen in te nemen over de decriminalisering van pedofilie. Om maar eens wat te noemen. En Wim psychiatriseerde iedereen.
Vooral vrouwen. Daar was hij tegen. Die moesten niet op de werkvloer, maar aan het aanrecht. Ik heb het Wim nooit horen zeggen. Maar het was duidelijk dat Wim en ik niet deugden. Dat hoorde ik later. Er was al maanden een geheime onderzoekscommissie doende om de schuldigen aan de disfuncties binnen de vakgroep te traceren want wat rot was, diende getrokken te worden. En zo is het maar net. Ik releveerde de commissie al eerder en vooral de gevolgde werkwijze. Zie:https://gerardstrijards.nl/onderzoekscommissie/ . Het heeft maanden geduurd dat ik er achter kwam dat ze bestond. Ik hoorde het van mevrouw De Vries-Leemans die mij aanmaande dat ik vooral medewerking moest verlenen aan deze waarheidsvinding. Omdat ik, als het niet deed, overal de schuld van zou krijgen. Dat kreeg ik toch, al werkte ik niet mee, zoals ik reeds uiteenzette. Ik dacht toen, in 1984, dat deze inquisitie uniek was aan een Nederlandse universitaire instelling en zeker aan een juridische faculteit. maar daar zat ik toch, is mij daarna gebleken, heel erg naast. Het was een grensverleggend generiek verschijnsel aan vele faculteiten. En niet alleen typisch voor de vunzige katholieke moraliteit waarover Gerard Kornelis van Het Reve zo mooi en meeslepend wist te schrijven. In die jaren dan. Was het zo, dan zou je van Tilburgse folklore kunnen spreken, want die stad was erg katholiek met alle uitwassen van dien. Ze begrepen destijds op de hogeschool de society nog niet geheel. En nu wel. Deze slogan liegt er immers niet om. Anders zou ze niet op het dak van de hoogbouw van de instelling prijken. Ze is waar. Anders zou ze immers niet op dat dak kunnen prijken? Waar men soms bij academische zittingen Maria nog inroept? Als bemiddelaarster en troosteresse? Kan je nagaan.
