Gesteld dat door de USA-blokkeringen van de Straat van Hormuz elders hongersnoden ontstaan, zou dan Trump in principe command responsibility dragen voor de voorzienbare letale gevolgen daarvan die systemisch zouden zijn en wijdverspreid? In het internationaal strafrecht is de vraag of een staatshoofd (zoals Trump) “command responsibility” (superieure verantwoordelijkheid) draagt voor de gevolgen van een blokkade een complexe juridische puzzel. Hoewel de morele en politieke implicaties groot zijn, hangt de juridische aansprakelijkheid af van strikte criteria uit het Statuut van Rome (het verdrag van het Internationaal Strafhof – ICC). Wat leert een systematische interpretatie van het Statuut van het Permanente Internationale Strafhof op zichzelf daarover? Hieronder volgt volgens die lijnen een analyse van de juridische drempels en de specifieke context van deze situatie: Command responsibility houdt in dat een bevelhebber of civiele leider strafbaar kan zijn voor misdaden begaan door ondergeschikten, zelfs als hij het bevel niet rechtstreeks gaf. Denkbaar is dat een president van de USA een toestand schept, waardoor naar algemeen toegankelijk ervaringsregelen elders ter wereld hongersnoden kunnen ontstaan, met name in gedestabiliseerde staten. Men kan redeneren dat door Trumps ingreep in het Midden-Oosten betreffende Irans territoriale staarzelfstandigheid een toestand moest ontstaan waarbinnen Iran en andere staten in reactie op deze ingreep militaire middelen moesten inzetten ter zelfverdediging, die zich in alle omringende staten zouden doen gelden. Met als gevolg dat de reguliere commerciële beurtvaarten in de Straat van Hormuz zouden worden gestremd, geschorst of opgeschort. Dus ook de tankervaart die andere staten moest voorzien van de aardolie als voortstuwingsmiddel voor voedseltransporten. Het wereldwijde voedseldistributieprobleem inzake de primaire voedselvoorzieningen is niet zozeer een kwestie van het aanleggen op locaties van toereikende voorraden die tijdig en regelmatig aangevuld en ververst worden, maar vooral een transportprobleem: hoe dat voedsel aan te voeren en naar behoeften proportioneel te verdelen over de regio die het behoeven, waarbij ook het consumptiemenu van de verschillende bevolkingen en bevolkingsgroepen verdisconteerd moet worden.

De kennis over dat transportprobleem en de daaraan verbonden flankerende randvoorwaarden zijn in VN-verband ter dege bestudeerd en algemeen toegankelijk. Het is daarom voorzienbaar dat wanneer de aanvoer van de brandstoffen die de voortstuwingskrachten voor dat transport moesten borgen grondig wordt verstoord zulks uiteindelijk tot honger en verhongeringstoestanden moet leiden: de ervaringsregelen daartoe zijn na de twee wereldoorlogen in Europa ruim uitgezet en genoegzaam inzichtelijk gemaakt. Die kennis valt dus Trump ambtshalve als opperbevelhebber toe te rekenen. Hij kan verder niet geacht worden gedacht te hebben dat hij enerzijds Iran en geallieerden kon bombarderen zonder dat dat consequenties zou hebben voor de wereldwijde aanvoer van de voortstuwingsmiddelen nodig voor evenredige voedseldistributie naar lokale behoeften. Ook al heeft Trump geen strategisch vervolgplan dat uitgevoerd dient te worden nadat hij de Iraanse staatsstructuur vernietigd heeft, hij moet ambtshalve geweten en voorzien hebben, uit hoofde van zijn staatkundige positie, dat deze aanvallen consequenties zouden hebben voor de genoemde beurtvaarten. Daarom is de hier aan de orde gestelde aansprakelijkheid relevant. Het Neurenberg-systeem inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheden van landvoogden als Seysz-Inquart, Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse Gebied 1940-1945 volgend uit de hongerwinter in de Randstad van Holland is op deze aannames, toerekenbaarheden van kennis en voorzienbaarheden inzake de causaliteit niet anders geweest en Seysz-Inquart is daarvoor te Neurenberg gehangen na een Angelsaksisch proces. Dus is het niet gek dezelfde maatstaven voor Trump aan te leggen, ongeacht wat daarvan uiteindelijk terechtkomt. Het gaat om méér dan een jurisdisch-dogmatische denkexercitie. Tenminste, wil het idee van het Permanente Strafhof nog enige rechtsnormatieve oriënteringswaarde hebben.
Voor een president van de USA als opperbevelhebber van de US-Strijdkrachten gelden drie kernvereisten:
-
Effectieve controle: De president moet feitelijke zeggenschap hebben over de troepen die de blokkade uitvoeren.
-
Kennis: Hij wist, of negeerde bewust informatie, dat zijn ondergeschikten oorlogsmisdaden begingen of zouden gaan begaan.
-
Nalatigheid: Hij heeft verzuimd alle “noodzakelijke en redelijke maatregelen” te nemen om de misdaad te voorkomen of te bestraffen.
2. Hongersnood als Oorlogsmisdaad
Onder Artikel 8(2)(b)(xxv) van het Statuut van Rome is het “opzettelijk uithongeren van burgers als methode van oorlogvoering” een oorlogsmisdaad.
-
Systemisch en Wijdverspreid: Als een blokkade van de Straat van Hormuz de aanvoer van voedsel en medicijnen op zo’n schaal blokkeert dat er elders massale sterfte optreedt, kan dit worden gekwalificeerd als een misdaad tegen de menselijkheid (Artikel 7), mits er sprake is van een “wijdverspreide of systematische aanval op een burgerbevolking”.
-
Voorzienbaarheid: De crux ligt bij het woord “opzettelijk”. In het internationaal recht wordt de drempel voor opzet vaak ruim uitgelegd: als de fatale gevolgen een vrijwel zeker gevolg zijn van de blokkade en de dader dit weet, kan dit als opzet worden aangemerkt (dolus eventualis).
3. De Obstakels voor Aansprakelijkheid
Hoewel de theorie ruimte biedt voor command responsibility, zijn er aanzienlijke praktische en juridische barrières:
Conclusie
In theorie kan een president verantwoordelijk worden gehouden als hij een blokkade handhaaft waarvan hij weet dat deze zal leiden tot grootschalige, voorzienbare hongersnood zonder dat hij ingrijpt om humanitaire hulp door te laten. In de praktijk fungeert de soevereiniteit van de VS en de politieke aard van de Veiligheidsraad echter als een krachtig schild tegen dergelijke vervolging. De andere leden van de Veiligheidsraad hebben op hun beurt voldoende redenen om te dezen opvallend solidair te zijn met hun collega staatshoofd en ambtgenoot op de presidentiële zetel in het Capitool en Het Witte Huis.
