Tweede Paasdag 2026

Is de these dat Gods eniggeboren zoon moest sterven als plaatsvervangend lijden voor de mensheid die steeds blijft zondigen verenigbaar met de uitgangspunten van het Islamitisch geloof? Deze gedachte is uitgewerkt door de kerkvader Sint-Augustinus maar geheel openbaarlijk of positief steunend op enige Bijbelse passus is zij niet. De Islam borduurt voort op de christelijke weergave in de Bijbel voor de Heilsgeschiedenis, maar zondert deze these daarvan uit. Maar is ze toch daarin inpasbaar, in de openbaring die de Profeet rechtstreeks kreeg van Allah, de Eeuwig Onveranderlijke? Nee, deze stelling is niet verenigbaar met de kerndogma’s van de Islam. Hoewel de Islam Jezus (Isa) eert als een van de belangrijkste profeten, verschilt de islamitische visie op zijn aard en missie fundamenteel van de christelijke verzoeningsleer.

Hieronder staan de belangrijkste redenen waarom dit concept in de Islam wordt afgewezen:


1. De aard van Jezus: Profeet vs. Zoon

In de Islam is de Tawhid (de absolute eenheid van God) het centrale punt. Het idee dat God een zoon zou hebben, wordt in de Koran expliciet verworpen:

  • Geen goddelijke afkomst: Jezus wordt gezien als een menselijk wezen en een profeet, geschapen door het woord van God, maar niet als “eniggeboren zoon”.

  • Surah Al-Ikhlas: “Hij heeft niet verwekt en is niet verwekt.”

2. Geen erfzonde

De noodzaak voor “plaatsvervangend lijden” in het christendom komt voort uit de leer van de erfzonde (de zondeval van Adam die op de hele mensheid overgaat).

  • Individuele verantwoordelijkheid: De Islam stelt dat elk mens puur (fitra) wordt geboren en alleen verantwoordelijk is voor zijn eigen daden.

  • Geen lastdrager: In de Koran staat: “En geen lastdrager zal de last van een ander dragen” (Surah Al-An’am 6:164). Het idee dat iemand anders moet boeten voor de zonden van de mensheid, spreekt de islamitische opvatting van goddelijke rechtvaardigheid tegen.

3. De kruisiging

De mainstream islamitische opvatting is dat Jezus niet is gekruisigd en dus niet is gestorven voor de zonden van de mensheid.

  • Goddelijke bescherming: Men gelooft dat God Jezus heeft gered en tot Zich heeft opgeheven.

  • De Koran stelt: “En zij doodden hem niet en zij kruisigden hem niet, maar het werd hun schijnbaar zo gemaakt” (Surah An-Nisa 4:157).

4. Vergeving zonder offer

In de Islam is er geen bloedoffer of de dood van een onschuldige nodig om vergeving te verkrijgen.

  • Directe berouw (Tawba): God is Al-Ghafoor (De Veelvergevende). Als een mens zondigt, kan hij direct tot God bidden, oprecht spijt betuigen en om vergeving vragen zonder tussenpersoon of offer. De christenheid kent deze mogelijkheid ook, maar spreekt dan van volmaakt berouw dat in zich voldoende kan zijn om terug te keren in de oorspronkelijke harmonie met het Opperwezen zoals deze die verhouding tussen de mens en zijn schepper bedoeld heeft. Wel verdient het de voorkeur voor alle zekerheid dat berouw sacramenteel bevestigend vast te stellen, ondermeer via de liturgie van de openbare schulderkentenis ten overstaan van de gemeenschap of in de individuele oorbiecht. Maar zulks bevestigt slechts. Het constitueert die harmonie niet substantieel.

    De biecht, ook wel boetesacramentsacrament van de vergeving of sacrament van boete en verzoening genoemd, is een van de zeven sacramenten van de Katholieke Kerk. In dit sacrament kan een gevolmachtigde priester, in Christus’ naam zonden vergeven. Deze priesterlijke functie wordt biechtvader genoemd. De biecht is gebaseerd op de woorden van Johannes: “Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad.” (1 Johannes 1:9)

    De beschermheilige van het biechtgeheim en de biechtvaders is Johannes Nepomucenus.

    Ontstaan van de biecht

    In het midden van de 2e eeuw werd het idee van één verzoening na de doop voor de ernstige zonden van afvalligheid, moord en overspel gesuggereerd in het boek De herder van Hermas. De “episkopos” (bisschop) was de belangrijkste liturgische leider in een lokale gemeenschap. Hij verklaarde dat God de zonden had vergeven wanneer het duidelijk was dat er berouw was, bewezen door de uitvoering van enige boete, waarop de berouwvolle werd teruggenomen in de gemeenschap. Omdat de verzoening met de kerk slechts eenmaal na de doop kon worden verleend, werd de doop vaak uitgesteld tot laat in het leven en kreeg men verzoening op het sterfbed. De behoefte om bij een priester te biechten is terug te voeren op Basilius de Grote. Niettemin had men de overtuiging dat God en niet de priester vergeving schonk. Voor de vierde eeuw waren (zonde)belijdenis en boetvaardigheid een publieke aangelegenheid ‘omdat alle zonde zonde is, niet alleen tegen God, maar ook tegen onze buurman, tegen de gemeenschap’. Tegen de tijd van Cyprianus van Carthago was de belijdenis zelf niet openbaar, hoewel de praktijk van openbare boete voor ernstige zonde bleef bestaan.

    In het Westen heeft de biecht zich ontwikkeld vanuit de (Ierse) kloosters. Het zijn vooral de Iers-Schotse monniken, die in de 6e en 7e eeuw de privé-biecht hebben ingevoerd en onder het volk gepropageerd. Een openbare biecht bestond al langer. De privé-biecht vond dus eerst uitsluitend plaats in kloosters, maar werd dus later ingevoerd buiten het klooster.

  • Conclusie: Waar het christendom de dood van Jezus ziet als een noodzakelijk offer voor de verlossing, ziet de Islam het concept van een “stervende zoon van God” als een inbreuk op de eenheid van God en de individuele verantwoordelijkheid van de mens. In de Islam wordt Jezus juist geëerd als een profeet die de mensen opriep tot monotheïsme, niet als een verlosser die de straf voor de zonden van anderen overnam.