Uitleverbaarheid Wilhelm II 1918

De westelijk geallieerden zijn thans de enigen die er in dit opzicht toe doen. Kan Van Karnebeek de Keizer niet ronduit vragen om op te krassen? Waarom hem niet stomweg uitgeleverd? Hoe komt de man trouwens uitgerekend nú hier?  Maar Van Karnebeek geeft geen krimp en herhaalt dat de regering overvallen is. Heldring, onstemd, laat niet na dat alles te berichten in zijn invloedrijke kringen.  Het politieke probleem verplaatst zich nu, want dat wordt niet zozeer de aanwezigheid van de fysieke persoon van de Keizer, maar de volslagen onwetendheid van de Nederlandse regering omtrent zijn komst en zijn asielverzoek. Eigenlijk gelooft niemand dat.  Dat de Keizer inderdaad in de vroege ochtend van de 10e per rijkstelegraaf doet aan Den Haag. Van Karnebeek maakt die onwetendheid tot dogma. Dat zijn ambtenaren, vooral de gezanten te Brussel, Parijs en Londen tot iedere prijs moeten uit dragen aan de regeringen, in alle lagen, waarbij zij geaccrediteerd zijn. Zelf probeert Van Karnebeek dat dogma te slijten aan de gezanten van die staten, die in Den Haag en poste zijn. In beide gevallen vinden die verkondigingen geen vruchtbare bodem.

De geallieerden duiden het euvel, dat de Nederlandse regering hier bereid is leugenachtigheid tot gedragscode te verheffen. Dat zal straks, als Nederland toch naar Parijs moet komen om zich te verdedigen tegen de Belgische eisen tot herziening van de verdragen van 1831 en 1839 en tot annexaties, de Nederlandse positie daarvan zeer verzwaren. De Franse gezant Henri Allizé wijst daar vriendelijk doch beslist op. Hij zegt dat Nederland moet beseffen dat de kwestie brisant kan worden als de geallieerden de Keizer willen doen uitleveren. Allizé somt een aantal punten op, waarvan Parijs vindt dat ze aantonen, dat Nederland onneutraal is geweest. Deze “Keizerkwestie” beschouwt het als het toppunt.

Allizé merkt op, dat Wilson die uitlevering tot speerpunt voor zijn delegatie zal maken. Wilson wil de Keizer voor een universeel straftribunaal. Is die opeising in Den Haag aanhangig gemaakt, dan zal dat met een héél goed verhaal moeten kom, als het weigert. Zeker zal niet voldoende zijn, te beweren, dat de Keizer zich die toegang als het ware eigenmachtig heeft verschaft. De berechting van de Keizer is noodzakelijk om de schuld van Duitsland aan de oorlog definitief voor de volkerengemeenschap vast te stellen, waarschuwt hij. De geallieerden zullen er géén genoegen mee nemen, dat Den Haag inmiddels beraamd heeft dat de Keizer onder vrijgeleide naar Argentinië is verscheept. Dat is een idee, waar Van Karnebeek dan mee speelt.  Op die pregnante kwestie kom ik nog te spreken: De beoogde berechting van de Duitse Keizer en zijn regeringsdeelnemers en Nederland. Het standpunt dat Nederland geen partij was bij een toereikend gespecificeerd uitleveringsverdrag was onhoudbaar. Van Karnebeek bleef het niettemin in stelling brengen.

De directeur en reder bij Stoomvaart Maatschappij Nederland, gespecialiseerd in beurtvaarten op Nederlandsch-Indië,  Heldring,  gaat er in zijn Herinneringen en dagboek, a.w., diep op in  Vol I, pp. 268-270 en vooral over de positiebepalingen van Henri Allizé.  Allizé had zich gedurende de oorlog tegenover Nederland welwillend opgesteld en begrip getoond voor allerlei concessies die het kabinet-Cort had willen doen om toch maar bonje met de militaire dictator Eerste Kwartier-Meester-Generaal  Ludendorff te voorkómen.  In de “Keizerkwestie” stelde hij zich voor zijn doen nogal scherp en resoluut op. Hij vond dat Van Karnebeek hier, vooral door de persistente ontkenningen van Nederlandse overheidsbetrokkenheid, de grenzen van het oirbare had overschreden. De Koningin had Van Karnebeek daarover streng geïnstrueerd. Dat vond Allizé echt niet meer fatsoenlijk nu Frankrijk Nederland tot aan mei 1918 eigenlijk niet had willen belasten met  neutraliteitsverplichtingen waaraan Berlijn maling had en placht te hebben. Aan Heldring gaf Allizé onomwonden te kennen, ter gelegenheid van diens beleefdheidsbezoek als vooraanstaand reder,  dat Van Karnebeek moest aftreden en ook of Heldring dat aan Ruys wilde overbrengen. Heldring heeft dat ook nog gedaan, wat verwonderlijk is, omdat meer voor de hand had gelegen dat hij Allizé had terechtgewezen met de opmerking dat deze zelf audiëntie kon aanvragen bij de premier, daar was zijn diplomatieke missie immers voor?  Heldring bracht later én het verzoek aan Van Karnebeek over én het het feit, dat hij daarover met Ruys had gesproken en dat deze inderdaad begrip had voor het standpunt van Allizé. Ruys de Beerenbrouck moest niet veel hebben van Berlijn en de daar brallend regerende Lutheraanse  generaals.  Uiteraard reageerde Van Karnebeek met de verbolgen opmerking dat hij “de houding van Allizé allergemeenst vond”.  Het zal de verhoudingen op dat moment niet ten goede gekomen zijn. Heldring, Herinneringen en dagboek, a.w., Vol I, pp. 279-280.