Wilhelms nachtelijke treinreis

Zo kwam Wilhelm, weggedoken in zijn grote legermantel, nerveus sigaretjes rokend, aan bij de grensovergang bij het dorpje Eijsden aan de Maas. Er was een slagboom en een wachthuisje. Daarin bevond zich een soldaat, die overduidelijk opgeschrikt uit de sluimer die bij zo’n Nederlands huisje hoort, nieuwsgierig toeliep op de stoet grote zware legervoertuigen. Het was mistig, grondnevels hingen geheimzinnig op de akkers en de oevers. Het was aan het deemsteren. De soldaat keek eens onderzoekend naar het voorste voertuig, waarin achterin een aantal opperofficieren van Duitse makelij. Een hunner verliet de automobiel, om de soldaat die niet duidelijk geïmponeerd aansloeg, aan te spreken. Blaffend deelde hij mee dat ze van de Duitse vredesdelegatie waren. Ze wensten terstond toegang tot Nederland. Ze gingen naar Den Haag. Op met die slagboom! Het siert de soldaat dat hij hier warm noch koud van werd. In lijzig Limburgs deelde hij mee dat hij van niets wist. Hij zou de majoor gaan verwittigen. Voorlopig ging de slagboom niet omhoog. Want daar was niets gezegd van geworden.

 

De soldaat draaide zich om zonder verdere mededelingen te doen en liep rustig terug naar het huisje waar zijn maat hem opwachtte. Tegen het huisje leunde een dienstfiets. Hier laten we Wilhelm II met zijn gevolg even in de steek. Wij hervatten het verslag van zijn Odyssee aanstonds. Als we het kader hebben geschapen waarin duidelijk wordt hoezeer de laatste der gekroonde en ingehuldigde  Hohenzollerns de Nederlanders in de verlegenheid bracht door zijn loutere aanwezigheid en aanstalten, toen, daar, op dat moment, aan die grens waar net de ochtendklokken schuchter gingen luiden. Het was een zondag. De dag des heren. Waarop de Berlijners elkaar plachten mede te delen dat de Allerhoogste zijn opwachting ging maken bij de hoogste, de god van Luther, in de domkerk behorend bij het keizerlijke stadspaleis. Deze keer zou de Allerhoogste dat niet kunnen doen. Er waren zekere beletselen. De slagboom was daarbij de minste.