Hoe het in de deelstaat Saksen Anhalt ambtelijk allemaal precies gaat is mij onbekend. Maar het kabinet-Schoof is van het begin af aan zeer doeltreffend ambtelijk tegengewerkt. Ik gaf dat al eerder aan. Vooral door nalaten. Door bewindspersonen niet tijdig en regelmatig van info te voorzien en verder deze info, die wel verstrekt werd, grondig te becommentariëren. En soms adviezen te geven de info niet klakkeloos voor waar aan te nemen. Zodat de bewindspersoon politiek flink afgeserveerd werd door de partijen die zich oppositioneel wensten op te stellen. Zo bekeken heeft Schoof het nog niet eens zo gek gedaan. Hij heeft het eigenlijk nog heel lang volgehouden, zeker als niet-jurist. Ik keek er wel van op. Zo ging het ook toe tijdens de Weimarer Republiek, die ik al ten tonele voerde in de voorgaande Blogs. De idee om de superinflatie van 1923 in gang te zetten zodat deze in een onbewingbare vrije vrille kwam, had niet in de allereerste plaats te maken met de waanzinnig hoge herstelbetalingen die de Vredesregeling van het Verdrag van Versailles rechtvaardigde via artikel 231 daaruit. Dat artikel verklaarde dat Duitsland erkende en aanvaardde dat het als staat civielrechtelijk aansprakelijk was voor alle schades voortvloeiend uit de oorlogshandelingen die sedert 3 augustus 1914 hadden plaatsgevonden. Dat was uiteraard een zinloze bepaling die slechts schijnbaar rechtsvaststellend was.

Want als die schadeplichtigheid op die schaal, met die strekking, omvang en overdraagbaarheid zou kunnen bestaan en zou kunnen worden afgedwongen via een statelijk geweldsmonopolie internationaal-rechtelijk gezien — en dan moet men vooral denken aan het internationale privaatrecht — dan zou daarvoor zo’n artikel echt niet nodig zijn. Dat zou dan vanzelfsprekend zijn volgens ongeschreven volkerenrecht, alleen, ook dan zou men geen deurwaarder vinden die terzake daarvan een voor tenuitvoerlegging vatbaar exploit zou kunnen uitbrengen. Dat is in de Nederlandse jurisprudentie voor 1914 meermalen aan de orde gekomen. Want de Haagsche Rechtbank was min of meer gespecialiseerd in het uitspreken van het faillissement over Keizerlijk Duitsland dat enkele schulden niet tijdig en regematig afloste. Die gevallen waren destijds ook redelijk geruchtmakend. Maar Keizer Wilhelm II, die onbekenbare slecht opgeleid kwajongen, maakte zich er alleen maar vrolijk om. Hij zorgde wel, meteen, dat de schulden inderdaad betaald werden ook al gold hier een staatsimmuniteit. Dat was Wilhelm zijn lieve nichtje Wilhelmina gewoon schuldig. Destijds ging men te dezen uit van gewoonterechteijke immuniteitsregels. Maar men bleef interstatelijke hoffelijkheid betrachten in dergelijke gevallen. In 1920 kon men nog steeds niet berekenen wat de oorlogsschade privaatrechtelijk precies was. En ook niet hoe men de betalingen daarvoor eventueel zou regelen, de invordering en de rentes. Die kwesties waren commissoriaal ondermeer via bancaire instellingen aan USA-zijde. En daaruit volgden ondermeer de Dawes-regelingen en de Young-regelingen die de betalingen uitfaseerden. Maar Philipp Scheidemann, de sociaal-democratische rijkskanselier had ambtelijk het advies gekregen om de Rijksmark te depreciëren in de interstatelijke valuta-verhoudingen. Want omdat de Versailler regeling wat betreft de conequenties die uit artikel 231 voortvloeiende nog onaf was, namen de socialisten voorlopig maar aan, dat de betalingen zouden geschieden in de gangbare nationale munteenheid, de Rijksmark.
Als men die nu zou laten devalueren, zo hadden de ambtenaren Scheidemann wijsgemaakt, dan zouden de externe oorlogsschulden niet alleen wegsmelten als sneeuw voor de zon, ook de oorlogsobligaties met hun hoge rentes, die intern in de oorlog aan de burgers waren aangesmeerd zouden in die waardenvermindering delen. Spelenderwijs zouden de Rijksregeringen dus op deze listige wijze hun kwijtingen aan de private obligatiehouders kunnen voldoen. Scheidemannn stonk erin. En verbitterde alle depositohouders bij Duitse banken voor eeuwig. Walther Rathenau, nog steeds minister bij deze ongelukkigen van socialistischen huize, zag meteen voor zich hoezeer de socialen daarmee het electoraat de doodstrek aandeden. Maar de drukpersen draaiden al op volle toeren. Daarmee Hitler de wind in de zeilen blazend. Die wind bleef bollen. Tot diep in het interbellum. De burgers vergaven het de socialisten nooit. ook niet na 1935 toen Hitler al noodzakelijke regeringsmachtigingen had verworven. Hier heb je nu zo’n nefast ambtelijk advies waarop ik doelde. Met onbedoelde nevengevolgen. Maar de ambtenaren die het gaven bleven zitten. De ganse oorlog lang en ook nadien. Zo zitten topambtenaren in elkaar. Ook in Saksen. En in Duitsland. En in Nederland. Daarmee mag Alice Weidel wel rekening houden.
