Sedert de brede introductie van de ICT binnen de mondiale strafvorderlijke systemen bestaan er, met het oog op de scheiding van de machten — de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke — in het westelijke Angelsaksische stelsel dat een soort coherent rechtsmassief vormt jegens de drie overige stelsels (de Islamitistische, dat altijd theocratisch blijkt, het Aziatische, dat altijd totalitaire en personele trekken houdt en het Napoleontische Continentale) informatische waterscheidingen binnen de nationale ICT-systemen. Een soort muren met onderling communicerende poorten of sluizen, die alleen via ingewikkelde coderingen laterale toegangen tot elkaar bieden waarbij rechterlijke of politieke tussenkomsten nodig blijken. In Nederland kun je grosso modo beginnen te onderscheiden tussen het ICT-kanaal van de politie, dat van het Openbaar Ministerie en dat van de zittende rechterlijke macht. Afspraak is dat deze toegangen uitzonderlijk zijn en tijdelijke openingen bieden tussen de systemen of kanalen. Wegens dat trias-beginsel van de machtenscheiding, dat overigens niet absoluut blijkt en steeds vaker ook op nationaal niveau een werkhypothese blijkt. Een hyporthese die ook nog eens heel veel uitzonderingen toelaat die vaak opportunistisch blijken maar buiten het zicht van de volksvertegenwoordiging blijven en soms geen wettelijke grondslag hebben. Ook al omdat er al twee decennia een neiging bestaat om geheime (militaire) diensten buiten iedere poltieke parlementaire verantwoordelijkheid in dit opzicht ruime privileges te gunnen. Privileges die makkelijk misbruikt kunnen worden, zeker wanneer de informatiestroom breder en ongedifferentieerder is. Vooral als het gaat om de toegang tot de clouds die ook nog eens zijn uitbesteed aan in het buitenland verblijvende private beheerders die zich wel richten op wat de politiek wil van de staat waar de cloud technisch en soms statutair gevestigd is maar verder weinig op heeft met de staatshuishoudingen van de landen waar van hun diensten gebruik wordt gemaakt en de doelen van de rechtshandhaving dáár. Nu was in 2000 al breed bekend in de politiek en in de mainstreammedia dat de ICT-optuiging van het Openbaar Ministerie niet echt goed was en dat het systeem makkelijk penetrabel was voor kwaadwillenden. Dat bleek via allerlei datalekken die bleken voor te komen en soms tot gevolg hadden dat criminele antecedentenregisters op straat lagen met alle gevolgen voor de persoonlijke levenssfeer van personen die ooit verdachte, vervolgde of getuige dan wel slachtoffer waren geweest van enig misdrijf. Dat dat allemaal heel anders behoorde werd uiteindelijk ook wel toegegeven. In Nederland tenminste, zij het uiteraard schoorvoetend en vaak veel te laat. Tot drie keer toe probeerde de Raad voor de Rechtspraak de ICT systematisch opnieuw op te bouwen met een waterscheiding jegens het Openbaar Ministerie. Een millioenen kostend project. Maar steeds mislukten deze projecten.

En veel daarvan was te wijten aan het feit dat de Nederlandse rechterlijke macht ICT-experts niet blijvend aan zich weet te binden en adequaat weet uit te nutten. Dat had weer alles te maken met het feit dat deze experts nerds bleken en weinig op hadden met ambtelijke hiërarchie. De gang van zaken was doorgaans dat zo’n expert aangetrokken werd omdat er weer eens een massaal lek bleek of omdat het systeem intern blokkeerde of onsystematisch omsprong met de gegevens- of informatiedragers wier rubricering onnavolgbaar bleek voor derden die geen ICT-opleiding hadden gehadden en die de codes voor de gehanteerde systemische opslag maar niet onder de knie konden krijgen. De cloud bleek onaannaderbaar, terwijl de bezoeker toch heel zeker wist dat de informatie er wel degelijk in voorhanden was, want hij had ze zelf via de ICT-expert doen toeleiden naar en in de cloud. Hij kende de rubriek, het notanummer van de oplegnota waarin de informatie was ingeput met de relevante verbindingen met andere vergelijkbare problemen of casus, het exhibitumnummer van de uitgaande beleidsrichtlijn en de nummeringen van de inkomende reacties uit het veld. Maar de expert had de rubriek veranderd naar de systematiek die hij oorspronkelijk ICT-matig had veranderd, met het oog op de onderverdelingen die oorspronkelijk de cloud beheersten. Dat bleek pas achteraf, meestal na een desatreus datalek of een geslaagde hacking die maanden verbnorgen was gebleven. Zoiets overviel het Openbaar Ministerie geheel. Zoals het bijvoorbeeld op 17 juni 2025 ineens een hack opspoorde die al langer stoorde. Dat zat hem in een uiterst kwetsbare schakeling binnen het Citrixsysteem. En het bleek ook extern. Ontkennen was er niet bij, waarna de organisatie uit voorzorg al haar interne systemen offline koppelde. Wat er gebeurde: De aanval: Hackers drongen binnen via een kwetsbaarheid in de veelgebruikte Citrix-thuiswerksoftware. Maatregel: Het OM haalde de systemen direct offline om verdere schade te beperken, wat grote impact had op de strafrechtketen. Herstel: Vanaf begin augustus 2025 ging het OM stapsgewijs weer online en was het weer bereikbaar via e-mail. Gevolgen: Uit later onderzoek (onder meer door Argos in maart 2026) bleek dat ook de Justitiële ICT Organisatie rond die periode herhaaldelijk te maken had met hacks.
Er is een onafhankelijke commissie ingesteld om de gang van zaken te onderzoeken. Maar die beviel nog niet van een eindrapport. De ICTers hadden wel gewaarschuwd, maar niet via de ambtelijke lijntjes en op de voorgeschreven formats. Ik heb brilliante experts gekend binnen de organisatie die adequaat konden aangeven dat en waarom een ICT-verbinding gevaarzettend was of kon worden, maar steeds dat deden op de verkeerde wijze, in de verkeerde toonzetting en vooral in onbegrijpelijk jargon, dat alleen voor ICT-ers navolgbaar is. Ze waren steeds na ernstige incidenten binnen gehaald, met toeters en bellen. Ze waren in hun enigmatische vooronders afgedaald. Ze waren ijverig begonnen in hun technische apparatuur te sleutelen. Steeds tijdig, steeds diligent en stelselmatig onbegrijpelijk, zoals ze ook bij de koffiezetapparaten een verpestende walm van eenzaamheid wisten te verspreiden, want er was geen normaal woord mee te wisselen. Ook niet over ADO en diens kansen om kampioen te worden. De ICT-er die ik hier bedoel sprak verder met schrille, gierende stem, met starende blik de wederpartij aankijkend en was in hoge mate ongeliefd doordat ze de puntjes steeds vaardig op de i placht te zetten ook jegens de super-PG waaraan ze merkbaar lak had. Ze werd dus steeds overgeplaatst. En verviel tot duchtige obstructie op het moment dat het kantoor weer schudde van een lek en de politieke gevolgen. Ze was doof. Starnakel. Maar liplezen, dat kon ze buitengewoon goed. Maar dan moest de aangesprokene haar ook star zonder vertrekkingen aanstaren en alle lichten moesten aan. Ook om zes uur in de ochtend, want ze was hoogst matineus en stipt, maar ook dan moest men de mond heel duidelijk bewegen en intercommunicatieve pauzes nemen. Dan bleek ze probleemgericht en hoogst bekwaam in het aanleggen van tijdelijke verbindingen en ongeoorloofde soluties. Ze had allerlei onbegrijpelijke diploma’s. Die stonden in Engelse afkortingen op haar visitekaartje dat dat nauwelijks verwerken kon. Ze ging met vervroegd pensioen na de zoveelste aanvaring met de Super-PG die haar maar niet verdragen kon.
