ICT-borgen in het Wetboek van Strafvordering? V

Het uitstel van de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is te wijten aan defecte ICT bij het OM. Dat was voorzienbaar. Het Wetboek bevat in het Algemeen Deel niets aan basisvoorwaarden waaraan deze ICT zou moeten voldoen. Is dat herstelbaar zodat de invoering toch kan plaatsvinden?  Het gaat uiteindelijk om de ruggengraat van een processysteem dat ook ICT-matig internationaal met  andere staten compatibel moet zijn. Ook staten die niet delen in dezelfde tradities als het Continentale Rechtsmassief waarvan het Nederlandse strafvorderlijk systeem deel moet uitmaken zonder horten en zonder bestendige transformatieproblemen. Want vrijwel alle rechtshulpbetrekkingen tussen de staten zijn volledig ICT-afhankelijk. Ook de meest traditionele, de uitlevering die immers steeds wordt ingeleid via per ICT inkomende rechtshulpverzoeken. Daaraan wijdt het Wetboek geen aandacht. Hetgeen verwondering baart en noodt tot kritische reflectie. Verder verbaast dat pas achteraf aan het departement van Justitie melding is gedaan door het College van Procureurs-Generaal dat het ICT-systeem de invoering zoals gepland niet kan uitvoeren, laat staan rechtsstatelijk borgen. Het schrift laconiek, men is tenslotte met nette topambtenaren onder elkaar: “De optelsom van verschillende afhankelijkheden en risico’s is voor het College aanleiding te concluderen dat het Openbaar Ministerie realistisch gezien niet in staat zal zijn om met ingang van 1 april 2029 volgens het nieuwe Wetboek van Strafvordering te werken. Het College acht het daarom aangewezen te pleiten voor een substantieel uitstel met blijvende periodieke herijking, opdat met inachtneming van het huidige en toekomstige adviezen van het AcICT, het Openbaar Ministerie en alle andere ketenpartners gecontroleerd en beheerst in staat zijn het nieuwe wetboek in te voeren. Voor de politie geldt dat de planning voor de randvoorwaardelijke ICT-systemen krap is en niet zonder risico’s, maar alles is er bij de politie op gericht om, in ieder geval voor een groot deel van het nieuwe wetboek, de beoogde invoeringsdatum te halen.” het College bindt zich kennelijk tot niets. Het belooft een inspanningsverplichting te zullen nakomen in de brief van 30 juni jl. Die brief bevat de beleidsreactie van de Mininister van Justitie op een verzoek van de senaat. De Eerste Kamer heeft op 14 oktober 2025 het Adviescollege ICT-toetsing (het AcICT) verzocht om in samenhang te oordelen over slagingskans en risico’s van: de voorbereiding van publieke organen in de strafrechtketen op de IT-aanpassingen die noodzakelijk zijn voor de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, voorzien op 1 april 2029 en de wijze waarop de overkoepelende regie op de invoering wordt gevoerd; en verzocht om eventuele verbetervoorstellen te doen. De Minister bericht daarin tevens wat het College denkt te gaan doen. Zie:Kamerstukken I 2025/26, 36 327, F.

 

De dreigende vertraging rond de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is inderdaad voor een belangrijk deel toe te schrijven aan ICT-perikelen bij de ketenpartners, waaronder het Openbaar Ministerie en de politie. Dat dit kon gebeuren was tot op zekere hoogte voorzienbaar, gezien het patroon van grote overheids-ICT-projecten. Het probleem ligt echter uiteraard complexer dan het ontbreken van ICT-normen in het Algemeen Deel van het wetboek. Om te beoordelen of én hoe dit herstelbaar is, moet traditioneel eerst onderscheid worden gemaakt tussen de juridische functie van een wetboek en de organisatorische uitvoering. Waarom staan er geen ICT-normen in het Algemeen Deel? Het klassieke antwoord zou zijn dat een Wetboek daarvoor niet bestemd is en dat dit overgelaten moet worden aan bestuurlijke uitvoeringsarrangementen. Een Wetboek van Strafvordering, zo zullen de ambtelijke beantwoorders zeggen van de brief van de Minister dat de huidige ICT-beddingen de tijdige en regelmatige invoering niet kunnen dragen,  heeft tot doel materiële en formele waarborgen vast te leggen: wat mag de overheid doen (opsporing, vervolging, berechting) en hoe worden de rechten van verdachten en slachtoffers beschermd. Wetboeken bevatten principieel geen technische functionaliteiten of ICT-randvoorwaarden om drie redenen:Technologie-neutraliteit: Codificatie in formele wetten duurt decennia. Het opnemen van concrete ICT-eisen in de wet zou het systeem binnen enkele jaren verouderd en star maken.Scheiding van norm en uitvoering: De wet stelt de wettelijke norm (bijv. “de processtukken worden onverwijld ter beschikking gesteld”). De wijze waarop de overheid dat ICT-technisch inricht, is een kwestie van bedrijfsvoering en ministeriële verantwoordelijkheid, niet van codificatie.Delegatie: Waar digitale eisen wél juridisch verankerd moeten worden (zoals eisen aan elektronische handtekeningen, digitale communicatie of gegevensverwerking), gebeurt dit in lagere regelgeving zoals Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) of specifieke Invoeringswetten. Is dit probleem herstelbaar voor de invoering? De Eerste Kamer vindt van wel. Ja, de situatie is herstelbaar, maar niet door het toevoegen van ICT-paragrafen aan de hoofdtekst van het wetboek. De oplossing ligt op het vlak van bestuurlijke regie, gefaseerde invoering en aanpassing van de implementatiewetgeving.

Het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) en het ministerie van Justitie en Veiligheid hanteren de volgende herstelroutes: 1. Aanpassen van de invoeringsstrategie (Fasering) Het wetboek hoeft juridisch-technisch niet als één “big bang” digitaal operationeel te zijn op alle fronten. Er kan worden gekozen voor gefaseerde inwerkingtreding of tijdelijke (hybride) overgangsregelingen waarbij oude en nieuwe ICT-systemen naast elkaar draaien. 2. Aanvullings- en Invoeringswetgeving moeten worden voorzien van verhelderingen Wat wél via de wetgever hersteld kan en moet worden, is het tijdig bieden van duidelijkheid in de Aanvullingswetten. ICT-ontwikkelaars kunnen systemen pas bouwen als de juridische kaders (zoals verwerking van biometrische data of digitale dossiers) exact vaststaan. Snellere juridische afkadering in de bijbehorende wetgeving stelt de ICT-afdelingen in staat gericht te bouwen. 3. Tijdelijke ‘analoge’ of hybride opvangvoorzieningen In de strafrechtketen kunnen werkprocessen tijdelijk zo worden ingericht dat processtappen wel conform de normen van het nieuwe wetboek worden uitgevoerd, maar via tussenoplossingen of handmatige interfaces in de ICT worden opgevangen. Dit voorkomt dat een vertraagd softwarepakket het gehele wetgevingstraject blokkeert. 4. Versterking van ketenregie en herziening van de streefdatum Het ontbreken van centrale regie op de afhankelijkheden tussen OM, politie en Rechtspraak is als de hoofdoorzaak aangewezen. Door het aanstellen van keten-programmadirecteuren zo is het Ministeriële antwoord  en het herijken van de streefdatum (of het faseren van onderdelen) blijft de invoering haalbaar zonder dat de kwaliteit van de rechtspraak in gevaar komt. Het is overduidelijk een gestandaardiseerd antwoord en op dit moment is, gelet op de onzekere politieke besliscultuur, ook niet anders te verwachten. Ook de Minister blijft dus in het vage en beperkt zich tot ambtelijke frazen die hem aangereikt worden. Zonder verder commentaar. Alsof de imperfectie van het OM-ICTtraject een natuurverschijnsel is.  Je kon het zien aankomen. Maar het was onvermijdelijk. Zoals de stijging van de zeespiegel. Het ontbreken van ICT-eisen in het Algemeen Deel is dus volgens de ontwerpers van het Wetboek  geen wetstechnische fout, maar een bewuste scheiding tussen recht en techniek. Het ICT-probleem is een implementatie- en regievraagstuk. De wet hoeft niet te worden herschreven; de voorbereiding, lagere regelgeving en de fasering van de inwerkingtreding moeten worden bijgesteld. Het valt echter zeer te betwijfelen of deze stellingname realistisch is.