De processualiseringsprincipes VI

Wellicht kunnen we toch nog wat leren van de ervaringen die de Staatscommissie-de Wal moeizaam en langzamerhand, werkenderweg, opdeed bij de redactie van het nieuwe Wetboek van Strafrecht tussen 1870 en 1881 over de uitgangspunten die gehanteerd zouden moeten worden bij de strafrechtelijke aansprakelijkheidleer, de straffunderingsschuld en de daderschapsvarianten en vooral, of deze punten gecondificeerd zouden moeten worden via het Algemeen Deel. Deze uitgangspunten waren destijds nog niet echt in kaart gebracht en golden als in hoge mate gepolitiseerd. Dat zijn dergelijke punten altijd. Laat daarover geen misverstand bestaan. En ook dat ze meestal, wanneer ze onderwerp worden van legislatief beraad worden, per definitie polariserend werken. Dat was misschien in 1870 nog sterker het geval dan nu. Al kunnen we ons dat niet goed voorstellen. De Staat der Nederlanden, dat beschreef ik destijds al in mijn Blogs over de algemene aansprakelijkheidsleer die de Commissie dacht te codificeren, was eigenlijk van zijn bestaan niet heel erg zeker. Die Staat werd in de zelfstandigheid behoorlijk bedreigd. Deze keer, voor de verandering, niet eens door immer agressief Frankrijk dat deze keer toevalligerwijze geen noordwaartse territoriale aspiraties had, die het sedert het Verdelingsverdrag van Verdun sedert 843 juist steeds wel beginselvast had gekoesterd. De Lage Landen hadden van dat Frankenrijk last genoeg gehad in dit opzicht. Ze waren steeds weer in de zeventiende eeuw met deze agressie geconfronteerd, vooral in het rampjaar 1672, die dat Frankenland was blijven herhalen omdat het militair de Maasbedding vanaf Verdun tot aan de mondingen van deze regenrivier aan de Noordzee had willen opeisen als een natuurlijke grens evenals de linker Rijnoever. In 1870 lag het dood te bloeden aan de wonden die het had opgelopen in de door de Fransen zelf geprovoceerde oorlog met koninklijk Pruisen dat ineens volledig opgerukt was tot aan de oostgrenzen van het kleine Nederland dat het nu makkelijk via de spoorwegen militair kon penetreren. Zie: https://gerardstrijards.nl/primaat-van-het-territorialiteitsbeginsel-i/

 

Pruisen was nu zijn strategische doelen aan het herformuleren en wat die zouden zijn was de Staatscommissie-De Wal duister zoals dat ook het geval bleek bij Thorbecke en zijn derde kabinet. Maar de Commissie zag er aanleiding in, in deze nieuwe geopolitieke situatie, om in het Algemeen Deel de ruimtelijke en personele heerschappij van het strafrecht uitputtend te gaan regelen. Via het territorialiteitsbeginsel, het personaliteitsbeginsel in zijn beperkte en onbeperkte uitwerkingen, het nationaal beschermingsbeginsel en het universaliteitsbeginsel in de artikelen 2-7 van het oorspronkelijk regeringsontwerp. En verder zag de Commissie aanleiding om in artikel 8 het codificatoir uitgangspunt neer te leggen met betrekking tot de werking in de nationale rechtssfeer van het volkerenrecht, geschreven of ongeschreven. Dat stiet op veel kritiek, ook van de zijde van de Raad van State, maar vooral van de zijde van de Wetenschap, de universitaire faculteiten. Dit soort dingen hoorden helemaal niet in een materiële codificatie thuis, was het parool. Als je deze soort transcedente uitgangspunten wilde fixeren in artikelsgewijze paragrafen, dan hoorde dat thuis in de Grondwet en in de Wet Algemeene Bepalingen van Wetgeving. Want eigenlijk begaf de wetgever zich hier op het terrein van de instructienormen die de wetgever in formele zin behoorde te respecteren in de constitutionele rechtsorde die in het Koninkrijk behoorde te worden geëerbiedigd. De Commssie-de Wal definieerde hier de dogmatische principes die de nationale strafwetgever nu eenmaal altijd en overal in acht hoorde te nemen. Dit waren de voorgegeven grenzen van een wetgever in formele zin binnen het Koninkrijk, zoals ook het pricipe dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid alleen geactiveerd zou mogen worden als er echt geen enkel ander subsidiair sanctie-arsenaal beschikbaar bleek, het ultimum remedium-beginsel.

De Commissie-de Wal had zich immers ook afgevraagd of dat ultimum remedium beginsel geen codificatie behoefde in het Algemeen Deel als beperkingsnorm voor de bijzondere strafwetgever die eestijds ook al zich overal mee scheen te willen bemoeien zoals de jongste regelingen betreffende het stoomwezen als zelfstandig voortstuwingsmechanisme met regelbare krachtsuitoefeningen, de samenstelling van kunstmatige voedselbestanddelen die op nimmer geziene schaal de volksgezondheid konden bedreigen via onbeheersbare omloopcircuits, de productie van ontplofbare stoffen, het ondergrondse mijnwezen en de vervuiling van de oppervlaktewateren als was- bleek- en reinigingsmiddelen. Deze soort zorgsegmenten ontplooiden zich recentelijk en de overheid had daar rekening mede te houden in het sanctieapparaat dat ze dacht de ontwikkelen, zoals ook met het telegraaf- en seinwezen. Dat zich ook nog eens draadloos scheen te kunnen voortplanten. Na enorm veel vijven en zessen besloot men dat ultimum remediumbeginsel maar ongecodificeerd te laten. Dat bleef jammer, omdat het strafrecht en dus de strafvordering op korte termijn zo’n voortreffelijk effectief regelingsscala schijnt te bieden, vooral als daarbij geen enkel remmend hoger principe in acht schijnt te hoeven worden genomen. Het gevolgd is een interim-wetgeving Meststoffen 1983 die een doeltreffende koude sanering van de agrarische sector op voorbeeldeloze wijze in gang bracht ten behoeve van de projectontwikkelaars, die zich daarmee nog steds gezegd mogen prijzen. Maar dat is precies in lijn met het ministeriële antwoord dat op 30 juni 2026 werd gegeven door de bewindspersoon over de bestuursrechtelijke regulering van de ICT-lacunes waarin de strafvoredering dreigt te verzinken. Sommige dingen veranderen nooit zoals de toonzetting van volkomen vanzelfsprekendheid die de ambtenaren hier mochten aanslaan. Maar bedenk hoe desastreus ICT-defecten inmiddels al hebben uitgepakt. Zie: https://gerardstrijards.nl/datalekken-v/