Rijksbegroting 2027 X

De minister van Financiën Heinen heeft aan de Raad van State alsnog een apart wetsontwerp ingezonden ter regeling van een nieuwe regeling voor de belastbaarheid van de deposito’s over 2026 ten laste van wat hij noemt “de kleine spaarders”. Zonder de bijbehorende dekkingen, de resultaten van die aanslagen over die deposito’s, precies op te geven. Heinen heeft voor deze indieningsvorm gekozen, omdat de algehele Rijksbegroting vervat in de vorm van een wetsvoorstel door de Tweede Kamer inmiddels is aangenomen. De wetsvoordracht die Heinen vorige week naar de Raad van State zond heeft de vorm van een novelle: een wijzigingsvoorstel dat de reeds aangenomen wet tot vaststelling van de Rijksbegroting amendeert. Want dat wetsvoorstel ligt nu ter beoordeling bij de Eerste Kamer die geen recht van initiatief of wetswijziging heeft. Die Eerste Kamer kan alleen maar verwerpen of aannemen. En dat moet in het jaar 2026 nog plaatsvinden, wil de wet tot vaststelling van de totale Rijksbegroting tijdig en regelmatig in werking kunnen treden. Dat wetsvoorstel, die novelle, die de Minister nu aanhangig heeft gemaakt bij de Raad van State is onvoldragen, want ze kent immers geen dekkingsbepalingen en ook geen schattingen over de te verwachten opbrengsten van de aanslagen over die kleine deposito’s. En ze gaat ook nog steeds uit van het door de Hoge Raad verworpen fictie van rendementen over spaargelden in welke vorm dan ook. Dat stelsel waarvan de Hoge Raad oordeelde dat het in strijd is met het Europese Mensenrechtenverdrag met de Protocollen die in werking zijn, blijft dus uitgangspunt, ook al heeft de Nederlandse hoogste rechter het gewraakt. Heinen zal daar ook zelf niet zo blij mee zijn. Maar hij zegt nu niet anders te kunnen. Kan dat hele samenstel van aanhangige wetsvoorstellen dan wel tijdig en volgens de constitutionele voorschriften in werking treden?
  Ja, de Rijksbegroting voor 2027 kan nog tijdig in de grondwettelijk voorgeschreven wettelijke vorm in het Staatsblad geplaatst worden. Omdat het kabinet de ontwerpbegrotingen en het bijbehorende Belastingplan 2027 conform Artikel 65 van de Grondwet al op Prinsjesdag (15 september 2026) heeft ingediend bij de Tweede Kamer, loopt de parlementaire behandeling momenteel volgens schema. Zolang de Staten-Generaal de begrotingswetsvoorstellen voor het einde van het jaar aannemen, is publicatie in het Staatsblad vóór 1 januari 2027 haalbaar. Bovendien is er een wettelijk vangnet ingebouwd voor het geval de formele publicatie onverhoopt vertraging oploopt. Het grondwettelijk en wettelijk kader is dan als volgt: Grondwettelijke eis: Artikel 105 van de Grondwet bepaalt dat de begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk bij wet moet worden vastgesteld. Een begroting krijgt pas formele kracht als de wet is bekrachtigd en in het Staatsblad is gepubliceerd. De inwerkingtredingsbepaling: De wetsteksten van de begrotingen voor 2027 bevatten standaard een bepaling die anticipeert op late publicatie. Er staat in dat wanneer het Staatsblad op of na 1 januari 2027 wordt uitgegeven, de wet de dag na uitgifte in werking treedt en terugwerkt tot en met 1 januari 2027. Hierdoor ontstaat er juridisch geen vacuüm. Hoe staat het met de dekkingen en de Comptabiliteitswet? Is hiermee alles in orde? Met enig kunst-en-vliegwerk nog wel al verdient het uit oogpunt van rechtszekerheid geen schoonheidsprijs omdat de Minister nu meerdere bepalingen van overgangsrecht tegelijkertijd moet toepassen. De dekkingen van de uitgaven (de inkomstenkant) worden geregeld via de begrotingsstaten van de Rijksbegroting en het Belastingplan 2027 op de Belastingdienst. De Comptabiliteitswet 2016 vereist dat uitgaven wettelijk geautoriseerd zijn door het parlement.
Wanneer en hoe die machtiging eigenlijk voltooid is en hoe ze dan ter publieke kennis gebracht gaat worden is in zekere opzichten gissen. Daarvoor zal men mede moeten kijken naar de Wet over de Algemene Bepalingen van Wetgeving. En die is niet zo heel gelukkig geredigeerd en komt nog uit het wetssysteem van vóór de staatsrechtelijke ingrepen die Thorbecke in 1848 pleegde op het Nederlandse belastingstelsel door zijn grondwetswijzigingen. Mocht een specifieke begroting of dekking op 1 januari nog niet definitief zijn gepubliceerd, dan staat de Comptabiliteitswet het kabinet toe om tijdelijk — binnen strikte grenzen en op basis van de lopende ontwerpbegroting — noodzakelijke uitgaven te blijven doen om de continuïteit van de bedrijfsvoering van de staat te waarborgen. Het formele proces bevindt zich momenteel in de fase van de parlementaire debatten in de Tweede Kamer. Er is dus nog ruim voldoende tijd om het wetgevingsproces voor de deadline af te ronden. Op dit moment staat nog steeds niet vast welke dekkingen of budgetwijzigingen er in de Rijksbegroting 2027 op Rijksoverheid zijn opgenomen, en ook is nog onzekerheid betreffende de geplande data voor de plenaire behandelingen. Helaas kan er nog alles gebeuren. Het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiend uit het legaliteitsbeginsel voor fiscale feiten staat dus lelijk op de tocht. Maar het kabinet-Jetten meent zich dat te kunnen permitteren in het belang van de rechtsstaat die het na het kabinet-Schoof dacht te gaan restaureren. Daar zit iets buitengewoon innerlijk tegenstrijdigs in. Maar zolang de Tweede Kamer dat allemaal accepteert, is het formeel volgens het boekje over de staatshuishouding.