Rechterlijke toetsing van de fiscale planning 2027

Vanuit het oogpunt van rechtsstatelijkheid zitten er twee zwakke steeën in de voorliggende begrotingsvoorstellen. Het eerste zwakke punt is die terugwerkende kracht die de minister als vanzelfsprekend in het vooruitzicht heeft gesteld over 2027. De regelingen inzake de kleinere deposito’s kunnen alleen maar effectief zijn als hij ze vanaf het begin van 2027 in werking kan laten treden, ook al komt het wetsvoorstel zelf, dat ze vervat en definieert bij operatieve artikelen pas geruime tijd na nieuwjaar-2027 in werking. En we weten dat dat het geval moet zijn. Want de minister is pas heel laat tot het inzicht gekomen dat hij deze regelingen behoeft juist om het gehele voorstel enigszins in de fiscale consequenties voor de kleinere spaarder evenredig te doen zijn. Hij denkt dan voorlopig aan dertigduizend EU. Voorlopig. Dus dat is al een element van onzekerheid. De Eerste Kamer heeft al doen weten dat zij haar definitieve beslissingen over het amenderend wetsvoorstel, deze novelle, pas zal nemen in het nieuwe jaar. Niet om de minister dwars te zitten, maar omdat ze de bijbehorende opbrengsten precies in kaart wil hebben gebracht bij haar beoordeling en óók waar dan de bewindspersoon de subsidiaire dekkingen vandaan denkt te halen, want de minister komt dan immers fors geld te kort. En zijn balans moet kloppen aan debet- en creditcijfer. Die dekkingen zijn ook niet aan de Raad van State gestuurd. En het zou verwonderlijk zijn als die Raad daar niks van vindt. Die kan zelfs met een negatief advies komen.

Want die subsidiaire, plaatsvervangende, dekking is immers essentieel. Kan de Raad zonder dat beslissend element eigenlijk wel een eindoordeel geven?  Nu slaat de regering de laatste decennia de adviezen van de Raad van State in het wetgevingstraject hoffelijk maar hoogfrequent in de wind. Dat is dus geen nieuws. Maar de Eerste Kamer zal in dit opzicht diligent zijn op de reacties vanuit het kabinet zolang die Kamer zich nog serieus wil nemen als medewetgever. Daar doemt dus vertraging op. En we zitten al in oktober. Stel nu, dat dit vuiltje bevredigend wordt geklaard mede via telefonades tussen kabinet en Raad. Helaas is daar strijk-en-zet sprake van. Noem het netwerkcorruptie. Want te rijmen met de scheiding van de organieke machten van de Staat is het beslist niet. Dan zit je toch nog met die terugwerkende kracht. In de voorgaande Blog gaf ik aan dat die terugwerking een rechtvaardigingsgrond behoeft. Daarzonder zou het fiscale legaliteitsbeginsel immers als substantiële waarborgnorm helemaal niets voorstellen. Waar zit die grond dan precies in? Ze moet redelijk zijn, die grond. En ze moet de rechterlijke toets op verdragsmatigheid en wetmatigheid vlekkeloos kunnen doorstaan. We lezen er niets over, over die hypothetische toetsing, maar dat die eraan komt, terstond nadat de spaarders de aanslag op de deurmat hebben horen vallen is zeker. De grond kan echt niet zijn dat de overheid krap zit. Dat zit ze altijd, daar leeft ze voor. De grond moet duidelijk maken waarom de rijksoverheid geen toevlucht neemt tot bezuinigingen op de departementen die uit beleid het dit kabinet beraamt moeten uitvoeren, de vakdepartementen, die immers ook weer enorm in personeel zijn gegroeid.

Denk even aan de talloze ambtenaren die weer zijn ingehuurd om de toeslagen-toewijzingen ten derde male te controleren en eventueel schadeloosstellingen uit te keren, de nieuwste beleidsdirecties die zich mengen in het terugkeerbeleid dat het kabinet al zo stellig beloofde te gaan voeren, de ambtenaren belast met de uitvoering van het koude saneringsbeleid in de agrarische sector.  Er is een wetgevingsdirectie die zich occupeert met het genderneutraal her-redigeren van wetsartikelen. Er zijn weer nieuwe programmadirecties met een vergelijkbaar thema opgericht. Met bijbehorende opleidingstrajecten en certificaten. De minister van Financiën waagt zich natuurlijk niet deze kaasschaafmethodieken per departement, want dan krijgt hij moeilijkheden met de verantwoordelijke minister van het betrokken vakdepartement waarvan de secretaris-generaal moord en brand gaat schreeuwen als de minister van Financiën het wel doet. Want dan matigt die minister zich een superpositie aan over die vakdepartementen wat betreft personeelsbeleid en aanbestedingen en dat vreet de Algemene Bestuursdienst niet. Daar is die dienst voor. Aan de rechter bij voorraad en in blanco overlaten om te beoordelen of de terugwerkende kracht eigenlijk redelijk, noodzakelijk en evenredig is naar effectiviteit is echt niet raadzaam. Dan zet men die rechter wederom op de stoel van de wetgever. En daar zit die rechter maar al te graag, dat is waar, maar daar hoort hij zijn achterwerk toch niet op te planten. Niet zolang je de scheiding van de machten toch nog serieus wil nemen. Dat doet bijna niemand meer in deze globaliserende wereld vol kosmopolieten, maar dat blijft bejammerenswaardig.