Wie vrede wil, bereidd’ de oorlog

 

In 1899 liet tsaar Nicolaas II de Vredesconferentie van grote mogendheden te Den Haag bijeenroepen om te bekijken of de staten genegen waren hun recht om oorlog te voeren, ook met agressie-motieven, te laten codificeren en te breidelen op grond van rechtsnormatieve motieven die in onderlinge samenhang zouden kunnen uitgroeien tot klassiek, direct inroepbaar, dwingend volkerenrecht, het befaamde ius cogens. Dat dwingende recht moet dan door een belangrijke statenmeerderheid worden erkend en zijn ingevoerd in hun nationale rechtsstelsels. Nicolaas liet de uitgaande uitnodigingen voor deze samenkomst redigeren door het Nederlandse kabinet en ook bezorgen. Zulks opdat er niet meteen een diplomatiek affront zou ontstaan als een aangezochte staat de uitnodiging zou passeren of, nog, erger, weigeren. Nicolaas maakte een lijst op van genodigden, dat wel. Daarbij beperkte Nicolaas zich tot de christelijke staten. En dat kortte de lijst behoorlijk in. Dat beleid was dus meteen een provocatie voor de Japanners en de Chinezen, maar zeker ook voor andere Aziatische mogendheden. Dat leidde dus toch tot de rellen, die Nicolaas juist had willen vermijden. Omdat die Aziaten toch waarnemers stuurden, maar die lieten zich dan maar accrediteren via het Nederlandse kabinet dat daar grote problemen mee kreeg, omdat, uiteindelijk, Nederland in het verre Oosten destijds gold als een niets-ontziende koloniale macht. Denk even aan de Gordel van Smaragd, die we nu Indonesië noemen, dat steenrijke eilandenrijk.  Koningin Wilhelmina, die aan die koloniale machtskring, zo jong als ze was, zeer gehecht was uit prestige-overwegingen vond alleen al het idee dat ze de nationale zwaardmacht zou onderwerpen aan het oordeel van andere mogendheden via arbitrage – dat was het oogmerk van Nicolaas – ronduit belachelijk.

Ze besloot de conferentie dus zoveel mogelijk te negeren, maar zulks heel hoffelijk te doen. Keizerlijk Brittannië en Duitsland waren eigenlijk in dit opzicht homogeen met Wilhelmina, het betoverende jonge koninginnetje, dat zo dapper op haar soevereine zwaardmacht gesteld bleek en gaven aan de uitnodiging wel te aanvaarden maar verder de einddoelen van de conferentie zoveel mogelijk te frustreren. De Duitse Keizer zond daarom ambassaderaad Kriege naar de conferentie die het ongenoegen van zijn heerser in de wandelgangen geducht ventileerde. Maar de Britten deden daar niet voor onder. En steeds werd het adagium, de rechtsspreuk, ingeroepen die ook Kriege toeschreef aan een Romeinse klassieke auteur. Qui vult pacem, para bellum is een Romeins adagium, maar is het toerekenbaar aan een klassieke auteur? De spreuk wil zoveel zeggen dat als je vrede wilt, je ten oorlog paraat moet staan. En in onze barre dagen van de herfst van november 2026 wordt de spreuk vooral aangeheven door types als Ursula von der Leyen, die haar klassieken uiteraard niet kent. De spreuk is oud, maar niet in klassiek Romeins dat Ciceroniaans zou kunnen heten, verpakt. Nee, de exacte formulering “Qui vult pacem, para bellum” (of de bekendere variant “Si vis pacem, para bellum“) is in deze vorm niet direct toe te schrijven aan één specifieke klassieke auteur. Het is een later gevormd Latijns adagium dat is gebaseerd op een passage van de Romeinse krijgsschrijver Flavius Vegetius Renatus uit de 4e of 5e eeuw n.Chr..

De oorsprong en ontwikkeling van de spreuk laten zich als volgt verklaren: er is, stellig, een gemene Romeinse bron. In zijn invloedrijke militaire traktaat De Re Militari (ook bekend als Epitoma rei militaris) schreef Vegetius in de proloog van Boek III de volgende tekst: “Igitur qui desiderat pacem, praeparet bellum.”(Vertaald: “Wie dus naar vrede verlangt, bereide zich voor op oorlog.”)Hoewel de betekenis identiek is, wijkt de grammaticale structuur af van de oneliner zoals we die nu kennen. In de loop der eeuwen is de formulering van Vegetius in de volksmond en in latere wetenschappelijke teksten gestroomlijnd tot het pakkende “Si vis pacem…” of “Qui vult pacem…”. Vegetius was overigens niet de eerste die dit principe verwoordde; de kerngedachte was in de oudheid al een wijdverspreid filosofisch en strategisch concept. Plato (ca. 427–347 v.Chr.): In zijn werk Wetten (Nomoi) stelt de Griekse filosoof al dat de hoogste plicht van een staat is om voorbereid te zijn op oorlog, juist om de vrede te kunnen handhaven.

Cornelius Nepos (ca. 100–25 v.Chr.): In zijn biografie van de Thebaanse generaal Epaminondas schreef deze Romeinse historicus: “Paritur pax bello” (“Vrede wordt voortgebracht door oorlog”. De bekende spreuk is dus een moderne, aforistische samenvatting van een eeuwenoud idee, met de tekst van Vegetius als directe Latijnse blauwdruk. Wat ervan zij, nadat Nicolaas’ uitnodigingen op de deurmatten waren gevallen van de aangezochte mogendheden zoemde deze spreuk door Den Haag. En de wereld van die tijd. Zoals dat zoemen nu ook steeds gehoord wordt in die stad, maar nu gericht tegen de Russen, die zich er natuurlijk ook niets van aantrekken. Omdat degeen die dat gezoem aanheft, boter op zijn hoofd heeft, net als in 1899. Sommige dingen veranderen niet, zoals de circulaire vrille van de waanzinnigheden van regeringsleiders die te lang aan hun macht zijn.