In de moraaltheologie van Thomas van Aquino verwijst het begrip ‘ingestort oerweten’ rechtstreeks naar synderesis (of synderese). Dit is de fundamentele, in de ziel ingeprente morele blauwdruk die ieder mens van nature bezit om het goede van het kwade te kunnen onderscheiden. Dat hanteerde ik voor de kennistheoretische plaatsbepaling van de “dwaling” in het wereldlijk strafrechtelijk aansprakelijkheidssysteem. Ik giste dat dat sedert de vroege middeleeuwen al had door geklonken in het wereldlijke strafrecht van de rechtsorganisaties die zich opdeden sedert het Verdelingsverdrag van Verdun van 843. Er zou ongetwijfeld een nauwe verbinding bestaan tussen de betekenis van de “dwaling”op de onderscheidenlijke aansprakelijkheidssystemen enerzijds en anderzijds de strafuitsluitende werking van de dwaling indien onverschoonbaar en onoverwinnelijk. Ik wist dat de Aquiniër daar nogal wat aandacht aan had besteed en nauwkeurig had gedefinieerd wat als “dwaling” moet gelden. Daarbij is een complicerende factor dat een actueel meerderheidsbewustzijn geen betekenis heeft voor de persoonlijke verschoonbaarheid van de dwaling en voorts dat die meerderheidsopinie een dwaling wel onoverwinnelijk kan doen zijn. Dat moest je ook terug kunnen zien in de ontwikkelingsgang van het nationale strafrecht van de Lage Landen. Vooral omdat destijds de bases daarvoor gelegd waren door missionerende Benedictijner monniken sedert de zesde eeuw. Wie verschoonbaar dwaalt omtrent een objectief bestanddeel van een delict mag niet gestraft worden, naar de kreet van Christus aan het Kruis bij zijn nakende dood teweeggebracht door mensen die slechts hun bevelen uitvoerden bij een tenuitvoerlegging van een strafgewijsde, zelfs als dat onrechtmatig is verkregen — wat bij de dood te Golgotha aan het middelste kruis onbetwistbaar het geval was: “Vader, vergeef het hen, want zij weten niet wat ze doen!”. Deze kreet in doodsnood was de werkgroep geweest om het wereldlijke strafrecht van het Avondland te herijken. Iedere normale mens heeft dat ingestorte verweten in zijn ziel ingebrand bij de conceptie in utero en iedereen kan daarnaar zich opstellen en handelen. dat waren de primaire uitgangspunten die ik hanteerde bij de diverse dwalingsvarianten en hun uitwerking in de algemene aansprakelijkheidsleer zoals geformuleerd door de al vaak genoemde codificatiecommissie-De Wal sedert 1870. Dat kwam ook pregnant tot uitdrukking in het Algemeen Deel van dat Wetboek van Strafrecht uit dat jaar. Zij het niet als algemeen leerstuk, wat natuurlijk zonde en jammer was. Het schuldbeginsel bracht per definitie teweeg dat verschoonbare dwaling in essentialia strafuitsluitend moest werken, en de diepere rechtsgronden lagen daartoe ter exploitatie dampend gereed op de beploegbare akkers. Ik meende ook aldus recht te doen aan de betekenis voor de strafrechtsdogmatiek die genoemde commissie De Wal daaromtrent had ontwikkeld.

Binnen de thomistische ethiek en rechtsfilosofie functioneert dit principe als volgt:
- Geen zintuiglijke ervaring: Synderesis komt niet voort uit proefondervindelijke of empirische waarneming. Het is een aangeboren, door God ‘ingestorte’ of ingeplante habitus (hebbelijkheid) van de praktische rede.
- Onfeilbaar fundament: Waar het concrete geweten (conscientia) fouten kan maken in de dagelijkse praktijk, is de synderesis onfeilbaar. Het herkent universele morele oer-axioma’s, met als belangrijkste grondregel: “Het goede moet worden gedaan en nagestreefd, en het kwade moet worden vermeden.”
- Basis voor morele aansprakelijkheid: Omdat dit oerweten vanaf de geboorte in de menselijke ziel aanwezig is, draagt ieder mens het basisvermogen tot moreel oordeel in zich. Dit vormt de hoeksteen van Thomas’ aansprakelijkheidsleer: de mens kán het kwade voorzien en vermijden, mits hij zijn wil hierop richt.
- Koppeling aan de natuurwet: Synderesis vormt de subjectieve, menselijke weerspiegeling van de lex naturalis (de natuurwet). Het stelt de menselijke rede in staat om te participeren in de eeuwige ordening van God.
In de moraaltheologie van Thomas van Aquino werkt het “ingestorte oerweten” zich hoofdzakelijk uit via het concept van die Griekse synderesis. Dit is de onverwoestbare, natuurlijke menselijke aanleg en verwerkbare kunde om de eerste universele morele principes intuïtief te herkennen, met als kernprincipe: “het goede moet worden gedaan en nagestreefd, en het kwade moet worden vermeden”.
Omdat dit mechanisme theologisch is ingebed in de scheppingsorde, werkt dit moraal-theologisch uit op drie niveaus:
1. De synderesis als moreel kompas voor de inrichting van de levensgang, de zogeheten Lebensführungsschuld, zoals verder ontwikkeld in het Duitse Strafgesetzbuch van de Noord-Duitsche Bond waarnaar ik in de voorgaande Blogs al uitvoerig verwees.
Thomas stelt dat de menselijke rede door de zondeval weliswaar verzwakt is, maar niet volledig is gecorrumpeerd. De synderesis functioneert als een soort ingeschapen vonk van de goddelijke rede in de menselijke ziel, een voortdurend effectief innerlijk conditioneringssysteem, vaardig om gebezigd te worden bij de eerste levensadem in het bezielde wezen. . Het is een habitus (een innerlijke gesteldheid) die nooit kan dwalen of worden uitgewist. Zelfs de doortraptste zondaar behoudt dit fundamentele besef van goed en kwaad.
2. De onmiddellijke doorgezette koppeling met de Natuurwet (Lex Naturalis)
Dit oerweten vormt het fundament van de natuurwet. Omdat God de mens als een rationeel wezen heeft geschapen, kan de mens via zijn natuurlijke verstand deelhebben aan de eeuwige wet van God (lex aeterna). De praktische uitwerking hiervan verloopt via de rede in twee stappen:
Deze Synderesis is als de polsslag voortdurend aanwezig en handelingsbeheersend: Reikt de universele basisprincipes aan (bijv. “je mag niet doden”, “wees rechtvaardig”).
