Scheidemann exemplarisch voor de systemische dubbelhartigheid

Philipp Scheidemann had uiteraard nooit kunnen denken dat hij, min of meer zonder slag of stoot, ineens premier zou worden van de Duitse Volksrepubliek in 1919. Hij was er door overvallen en zelfs ontredderd. Maar ook gecoiffeerd, want hij had het dan toch maar ver gebracht. En op basis van zijn unieke verdiensten. Dat zou toch iedereen moeten erkennen. Hij zelf voorop. Hij had alleen nog geen bijbehorend partijpolitiek programma over het traject dat deze nieuwe staat zou moeten gaan afleggen. Hij zag de novemberrevolutie die de communisten in 1918 in alle hevigheid wilden laten uitbreken met verlamming van het totale openbare leven dan ook ongaarne aan.  Want hij was zeker, dat hij als premier bij de westelijke geallieerden bij de komende vredesonderhandelingen heel wat eruit zou kunnen slepen. De Fransen zouden hem wel een handreiking doen. Die zagen immers zeker in, dat hij en zijn partij niets hadden te maken met de oorlog die in augustus 1914 zich als een vloedgolf over Europa had uitgestort. In Parijs was het sociaal-democratisch element immers wijdverbreid en dus zouden de Fransen bereid zijn in Duitse socialisten hun broeders en lotsverbondenen te zien. Maar Scheidemann had een verleden dat hem nu, in 1919, redelijk in de weg zat. Hij steunde immers in juli 1914 vol overtuiging Duitslands deelname aan de Eerste Wereldoorlog. Het vaderland was deze oorlog opgedrongen door de Engelsen. En dus had dat Vaderland moeten vechten tegen de Britse omsingelingstactiek waarbij Duitsland zijn plaats onder de zon niet kon bereiken. Uiteindelijk had ook Scheidemann ingestemd met de inval in België in augustus 1914. Maar niet van harte, en in 1917 was hij een van de voormannen van de SPD die naar een vrede zonder annexaties streefde. In oktober 1918 werd hij staatssecretaris in de regering van prins Max van Baden Hij had, dacht hij, geen bloed aan de handen. Hij kon dus onbezoedeld de Duitse Decratische Volksrepubliek uitroepen. En zo werd Scheidemann wereldberoemd. Zijn foto ging de wereld rond in november 1919. De oeverloze verrader en wederspannige. Een staatsleugenaar.

Philipp Scheidemann, staand in een raam van de Rijkskanselarij.

Deze en andere foto’s zijn overigens niet gemaakt op 9 november 1918, maar pas later om aan die dag te herinneren. Scheidemann zelf beweerde dat hij zijn toespraak uit een raam van het parlement had gehouden. In november 1918 brak in Duitsland de totale  novemberrevolutie uit. Een burgeroorlog eigenlijk. Met wederzijdse slachtpartijen tussen socialisten en communisten die elkaar van lands- en volksverraad betichtten. En passant werd de keizer werd afgezet. Dat was ook voor Scheidemann maar een bijfiguur, een marionet van het plutocratisch kapitalisme dat verslagen zou worden. De conservatieve aristocratie zou nu haar macht moesten afstaan aan een burgerlijke regering. Op 9 november werd zijn partijgenoot Friedrich Ebert de nieuwe rijkskanselier. Scheidemann riep plotseling en zonder afspraak de republiek uit, naar eigen zeggen om de linksradicale spartakist Karl Liebknecht voor te zijn. Mede door deze zet werd de relatie tussen Scheidemann en Ebert gespannen; Ebert wilde de vraag republiek of monarchie aan een nationale vergadering overlaten. Op 11 november 1918 werd Scheidemann lid van de Raad van Volkscommissarissen, bestaande uit de SPD en USPD (onafhankelijke sociaaldemocraten). De Raad nam tijdelijk de functies van keizer en rijkskanselier waar. In januari 1919 werd een Nationale Vergadering gekozen. De vergadering installeerde een voorlopige grondwet en Ebert als rijkspresident. De rijkspresident benoemde op 13 februari 1919 een nieuwe regering. Scheidemann werd regeringsleider met de titel Reichsministerpräsident. Omdat hij het niet eens was met de voorwaarden van de Vrede van Versailles, trad hij in juni 1919 als regeringsleider af. Van 1920 tot 1926 was Scheidemann burgemeester van Kassel. Zijn kritiek op extreemrechts maakte hem in die kringen een haatfiguur. In 1920 bracht hij de minister van Defensie, Gustav Noske ten val. In 1922 werd er door een extreemrechtse persoon een mislukte aanslag op zijn leven gepleegd. Hij wenste de Vrede van Versailles niet uit te voeren. Maar hij liet wel ondertekenen. En dus werd hij met één slag de incarnatie van onbetrouwbaarheid, zeker toen hij daarop de hyperinflatie organiseerde om aan de herstelbetalingen aan Frankrijk te ontkomen. Met ruïnering van de middenklassen. Die dat nooit zou vergeten. Zijn onthullingen van de geheime samenwerking van de Reichswehr (Duitse leger) met het Rode Leger in 1926, maakte hem weinig geliefd bij andere politici.

In 1933, na Hitlers machtsovername, emigreerde hij naar Denemarken, waar hij in 1939 op 74-jarige leeftijd overleed. Gehaat door allen. De man die tekende en vast van plan was niets na te komen. En weerspannig te blijven. Tegen alles.