De Wijkerslooth IX en de Lex Donner

Over de verhouding tussen de Minister en zijn Openbaar Ministerie is decennialang enorm gemeierd, oeverloos. Reeds omdat in de beschikbare regelingen op het niveau van formele wetten niet echt veel inhoudelijks stond. Het systeem van 1813 stond ook eigenlijk niet echt toe dat de Koning in wetten werd gebonden aan instructienormen, rechtsbeginselen en uitvoeringsregelen jegens dat Openbaar Ministerie dat namens hem het strafvorderlijk vervolgingsrecht zou gaan uitoefenen. Willem I wilde dat ook beslist niet. Hij heeft steeds gevonden dat de geallieerden van 1812 hem de volledige soevereiniteit hadden aangeboden over een nog nader te definiëren grondgebied in Europa en daarbuiten. Dus de interne soevereiniteit, de bevoegdheid om via wetten te bepalen hoe de interne openbare orde en het publieke domein zou moeten worden samengesteld en via welke handhavingsarrangementen was in ieder geval per definitie essentieel niet te onderwerpen aan wetten. Want wetten werden nu eenmaal gemaakt met instemming van en in overeenstemming met de volksvertegenwoordiging. Dat was iets wat in 1812 echt wel algemeen aanvaard werd binnen die familie van geallieerden die overigens ook later ten dele zouden toetreden tot de Heilige Alliantie van Tsaar Alexander Romanow van Rusland, de bevrijder van de Lage Landen. Die Tsaar had goedgevonden dat Willem die soevereiniteit had verkregen, ze was hem eigenlijk onverhoeds in de schoot gevallen.

Maar dan ging Willem I niet goedvinden dat een onderdeel van die soevereiniteit toch weer werd onderworpen aan de wilsbepalingen van enige volksvertegenwoordiging. Dat koesterde Willem dus als een schat. Een erfdeel. Waarover hij persoonlijk als legitimaris beschikkern kon. Willem was dus wel bereid om bij wet te regelen wat voor uitvoeringsfunctionarissen hem in dit opzicht zouden bedienen. Te weten: procureurs-generaal in hun ressorten. In het Rijk in Europa. En in de bezittingen van de Kroon overzee. Die kon hij opdrachten geven. Algemene. En bijzondere. Waarover ze zouden gaan, dat moest weer niet echt in de wet staan. Dat ze konden gaan over concrete gevallen achtte Willem vanzelfsprekend. Dat zette hij dus al helemaal niet in enige uitvoeringsregeling. Dat deze functionarissen hem steeds adequaat moesten informeren over de rechtshandhaving in hun ressorten was ook van zelfsprekend. Dat systeem beviel Thorbecke niet. Die was vast van plan in zijn eerste regeringsperiode daaraan bij nadere wetten in verband met de door hem zo innig bepleite politieke verantwoordelijkheid jegens de volksvertegenwoordiging afbreuk te doen. Maar Thorbecke werd voortijdig van zijn stoel gespoeld als voorzitter van de mininsterraad. Door de Aprilbeweging van 1853, de revolte tegen Thorbecke georganiseerd door de notabiliteit van destijds.

De huidige regeling van artikel 128 van de Wet op de Rechterlijke organisatie verandert daaraan niets. Al heeft Donner, de steller ervan, steeds beweerd dat nu allerlei waarborgnormen voor het seponeringsbeleid, de generieke buitenvervolgingstellingen dus, in de wet zouden staan. En dat de volksvertegenwoordiging die normen zou kunnen inroepen tegen de Minister op basis van dat operatieve artikel. Dat is, zoals bij Donner steeds, Haagsche Bluf. Maar die vinden veel mensen toch lekker. Dat het College van Procureurs-Generaal zijn zienswijze aan de Minister voorlegt, dat was altijd al een mogelijkheid. Dat de Minister zich niet hoeft te verenigen met die zienswijze ook. Dat hij dus tegengestelde aanwijzingen kan geven  en zulks ook in een concreet geval, dat was altijd al geaccepteerd. Dat de aanwijzingen uiteindelijk schriftelijk gegeven moeten worden en behoorlijk gemotiveerd eveneens. Maar natuurlijk heeft Donner in de Memories van Toelichting hoog opgegeven van de rechtsstatelijke vooruitgang die met artikel 128 gescoord werd.

Dat kon hij erg overtuigend. In de eerste maanden dat Doctors van Leeuwen een soort imperium zou trachten te ontwikkelen voor het Openbaar Ministerie — volgens het departement — speelde dat iedereen parten. Omdat Harry Borghouts Docters goed kende nog vanuit Binnenlandse Zaken. En wist wat voor aterling met slinksheden Sorgdrager ermee binnenhaalde. Vooral omdat Docters ook nog eens vilein te kennen gaf dat als Sorgdrager geen goeie secretaris-generaal kon vinden, hij, Docters, het er wel even bij zou doen als super-procureur-generaal. Dat wees op een zekere grootheidswaan. En die bezat Docters ook wel. Daarover zou hij zijn nek ook ambtelijk breken. Maar Borghouts werd er erg schichtig van. Hij begon overal spoken te zien. Dat vond Stordiau, het al genoemde hoofd voorlichting, erg leuk.