De Wijckerslooth VII en Stordiau

Joan de Wijckerslooth had zich door de nieuwe Secretaris-Generaal van Justitie Harry Borghouts laten overhalen om nu de tweede super-procureur-generaal te worden in de nieuwe beheersstructuur van het Openbaar Ministerie. En dat terwijl hij heel goed wist dat hij door de buitenwacht mede werd aangezien als één van de bedenkers van de noodlottige afgang van Docters van Leeuwen. Er werd destijds gelekt dat het hoestte. De Wijkerslooth moet hebben begrepen dat hij, tot op zekere hoogte, een soort proefpersoon zou worden waaraan onderzocht zou worden of de super-procureur-generaal een eigenstandig bevoegde magistraat met autonoom gezag zou zijn dan wel een loopjongen van de politiek. Prof Mr Tom Schalken, luidruchtig hoogleraar aan de Vrije Universiteit in het Straf- en Strafprocesrecht voorspelde alvast dat De Wijckslooth de loopjongen zou blijken te zijn. Hij ging de jonkheer kritisch volgen, kondigde hij aan. Hij kreeg daarbij opvallend veel hulp van de Afdeling Voorlichting van het departement. Die lekte dat het een lieve lust was en ontkende dat persistent en bekwaam.  Veel van die lekken kwamen van mevrouw Stordiau, de directrice van die Afdeling Voorlichting van het Ministerie van Justitie. Ze had ze reeds kundig en schaamteloos uitgenut om het College in totaliteit de ene mokerslag na de andere toe te doen delen. Die Afdeling was nu een soort intensieve vindingrijke lastercampagne begonnen tegen het nieuwe College van Staat dat binnen het Openbaar Ministerie ontstaan was. Ik veronderstel dat Stordiau hierbij inspeelde op de onderbuikgevoelens van Secretaris-Generaal Borghouts. Ze werd vaardig gesecundeerd door alle critici die het Openbaar Ministerie toch al steeds op de been had weten te brengen –want erg veel tact had dat traditioneel publicitair nooit ten tonele gespreid– en liet er op los lekken zodat de televisiejournaals het nauwelijks konden bijhouden. Met geheime info. Die bevatte weer supergedetaillerde informaties die eigenlijk alleen maar konden komen van het kantoor van de Landsadvocaat die Docters’ ontslag hadden ingeleid en gerechtvaardigd. Het leek er nu op dat De Wijckerslooth alvast flink wat voorbereidingswerk had verricht om een nieuwe baan te krijgen waarin hij min of meer blanco volmacht kon verwachten vanwege de Minister van Justitie Sorgdrager die het ambt en de portefeuille ook consequent in diskrediet had weten te brengen. De Wijckerslooth was niet herkomstig uit de rangen van het Openbaar Ministerie en was ook al weer berucht om het feit dat hij met veel dedain wist te praten over het Mandarijnendom van de zogeheten strafrechtsdeskundigen. Dat paste destijds een Leids civilist ook het beste. Geitenharen sokkendragers, gedragsdeskundigen met wereldvreemde hersenspinsels.

Wat strafjuristen bedachten dat kon je met inktpotlood wel kwijt op de achterkant van een postzegel van vijfentwintig centen op een regenachtige woensdagmiddag was het parool, dat zelfs tot in Tilburg was doorgedrongen bij de vakgroep strafrechtwetenschappen aan de Karl Marx-universiteit en later de Salvador Allende Academie zoals een groot kunstwerk bij de hoofdingang in de hoogbouw aan de Warandelaan verried. De Wijckerslooth gold als een elitaire bal. Een zelfbewuste klassiek-liberale klootzak met veel Leidse cacq. En beslist niet als een maatschappijcriticus met diepgaande inzichten: een maatschappijbevestigend luidruchtig corpsganger in een antracietgrijs kotspak, om zo te zeggen. Met broque-schoenen die node gepoetst moesten worden door de valet-studentassistent. Hij zat ook nooit om een snedig weerwoord verlegen waarmee hij een mogelijke tegenstander volmaakt afserveerde en zou neerkijken op zittingsboeren die het vooral moesten hebben van de piste van de openbare strafzitting, een krijt dat hij in ieder geval zich nooit verwaardigd had te betreden. De heren aanstaande collegae en onderhebbenden verbeidden dus node zijn komst. De eerste indruk bij de verschillende samentreffingen in het bruggebouw waar geen raam open kon was niet best: men zag wat men dacht te kunnen verwachten en ergerde zich blauw. En ik kende hem evenmin, al had hij mij overgehaald om naar het Parket-Generaal over te stappen, vermoedelijk, naar ik achteraf gis, om mijn directeur wetgeving te behagen die graag van mij afwilde. Die directeur voegde mij bijna iedere ochtend sissend toe dat ik niet zijn plaatje paste en daarin kon ik in ieder geval een heel eind meegaan.

Ik ervoer na enkele maanden dat De Wijckerslooth uit een overmaat aan verantwoordelijkheidsgevoel deze merkwaardige overstap had gemaakt, een schijnbeweging die hij gaandeweg ook steeds meer leek te betreuren. Hij had de teloorgang van Docters node moeten begeleiden. Aldus werd hij niet moede mee te delen. Hij meende dat het Openbaar Ministerie intellectueel nog veel versterking behoefde om het steeds meer bekritiseerde vervolgingsmonopolie te legitimeren via de te houden requisitoiren in de rechtszaal. Maar hij ervoer dat kundige Kammerorators niet veel voorkwamen in het instituut en ook doorgaans niet geapprecieerd werden dan als bureaucratische zittingsboeren die alleen overweg konden met standaardoverwegingen en door gedragswetenschappers samengestelde puntensystemen ter bepaling van de strafhoogte. Dat betreurde hij hevig. En wees op de leden van buitenlandse staande magistratuur die er zoveel méér van wisten te maken en ook daarmee ruchtbaarheid gaven aan de gerechtvaardigde wraakbehoefte van de slachtoffers en de gemiddelde geschokte rechtsgenoten.

Zoals in de Duitse Bondsrepubliek die nog immer leed aan de georganiseerde extreme politieke terroristen van uiterst links die steeds weer aantoonden dat deze staat eigenlijk een verkapte politiestaat was en werd. Deze extremisten vluchtten steeds naar Nederland als de grond onder hun voeten te heet werd en werden dan meesterlijk verdedigd door mensen als Bakker Schut en consorten, berucht als de Utrechtse School, waartegen geen Nederlandse Officier van Justitie echt opgewassen bleek. Dat werd nog duidelijker toen deze groeperingen werden uitgebreid met de Jihadisten die steeds duidelijker en luider deden uitkomen dat ze maling hadden aan het Nederlandse strafrechtsysteem dat zoveel compassie toonde met fundamentalistische overtuigingsdaders van over de hele wereld. De Officieren waren daar niet tegen opgewassen en het Parket-Generaal schoot tekort in adequate begeleiding, zeker nadat met de afgang van Docters ook een soort existentiële depressie vaardig werd over de met zijde banen getoogden van de Staande Magistratuur. Ze sloegen modderfiguren en kwamen in een moeras waaruit ze gered konden worden door de handreiking aan te grijpen die De Wijckerslooth wilde organiseren. Ze kregen nu cursussen publicitaire politiek. Journalisten van reputatie werden ingehuurd, regisseurs van de televisie kwamen vertellen hoe het moest. De Officieren moesten gehoorzamen, dat was de opdracht van de Wijckerslooth,  institutioneel, maar niet zonder dat ze eerst in de handpalm van de redder tot bloedens gebeten te hebben, tevoren en na afloop van de reddingsoperatie. Officieren bleken verdomde eigenwijs. Ze gaven hun persconferentie. Maar node. En lichtten dat ook weer toe. En dan ging het toch weer mis. Flink. De Wijkckerslooth zou er de incarnatie van worden.