De Wijkerslooth VII en de aanwijzingsbevoegdheden van de Minister

De Nederlandse Strafwet erkent dat rechtspersonen delicten kunnen begaan. Dat doet zij via het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht van 1881. Dat Wetboek kende dat niet. Tussen 1870 en 1876 is daarover enorm beraadslaagd door de ambtelijke voorbereidingscommissie die een nieuw nationaal wetboek van strafrecht moest samenstellen, naar haar voorzitter de commissie-De Wal genaamd. Die commissie vond dat alleen natuurlijke individuen met ziels- en verstandsvermogens in een spierkrachtelijk lichaam samengebracht dader konden zijn van strafbare feiten. Dat was wel anders geweest in de middeleeuwen want het canonieke recht kende dat daderschap van rechtspersonen — vennootschappen, maatschappen, verenigingen en doelvermogens — wel degelijk. Maar wellicht juist daarom wilde de commissie de Wal er niets van weten. Dat heette onwetenschappelijk, dat daderschap van rechtspersonen, ook al had de Noord-Duitse Bond aanvankelijk een wetboek willen invoeren in Centraal Europa dat dat daderschap kende. Wellicht weer omdat de Constitutio Criminalis Carolina het ook weer kende. Het wetboek van de Oostenrijkse Habsburgers in het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie. Otto von Bismarck was nogal gecharmeerd van de idee dat het door hem te stichten Keizerrijk naadloos zou kunnen gelden als opvolgster van dat Habsburger Keizerrijk en daarvoor was een rijkswetboek van strafrecht dat de Habsburgse aansprakelijkheidsleer in strafzaken zou volgen helemaal niet gek voor Otto. Hij riep op die grondslag het Tweede Rijk uit. En Hitler, bereden door dezelfde emoties, het Derde. En daarmee is de stichting van dat door rijken voorlopig gestremd, want Merz, de huidige Bondskanselier, ontbeert daarvoor de noodzakelijke fantasie en bovendien hebben veel Duitsers de idee dat zoiets fout zou kunnen aflopen.

Hitler introduceerde een stroom aan ordeningsdelicten vooral weer in de economische sector. Die werden overgenomen door Nederland in de bezettingsjaren, mede via de WED. En die gelden nog steeds. Maar nu met een aantal voorzieningen in het Algemeen Deel van ons Nederlandse Wetboek dat uitgaat sedertdien via de artikelen 51 en 52 van het onbeperkte daderschap van rechtspersonen. Sedertdien in de vervolging van de rechtspersoon breed mogelijk, maar ingewikkeld is het zeker, aangezien deze artikelen eigenlijk dit daderschap formuleren als vormen van deelneming aan strafbare feiten als voorzien bij de artikelen 46 tot en met 50 van dat Deel, dus als medeplegen, doen plegen, begunstiging, medeplichtigheid en poging of voorbereiding daartoe. Het Openbaar Ministerie had er bij de WED (Wet op de Economische Delicten) overduidelijk veel moeite mee. Vooral bij het opstellen van de tenlasteleggingen tegen de rechtspersoon, haar opdrachtgevers en leidinggevers, dus de directeuren en vertegenwoordigingsbevoegde organen in de vorm van natuurlijke personen. Daarom zag het Openbaar Ministerie bij de rechtspersoon van die vervolging doorgaans liever af: te moeilijk, zulke tenlasteleggingen zaten niet gestandaardiseerd in de formulierboeken en later in de tekstverwerkers. In het digitale tijdperk. Rechtspersonen schenen dus eigenlijk reeds daarom onvervolgbaar. Dat was ook eigenlijk de reden waarom nu eigenlijk mede onder politieke druk in de zaak tegen Slavenburgs Bank ook doorgepakt werd: dat was een onnavolgbare heroïek van het Openbaar Ministerie waarop het zich borstbeukend bleef beroemen. Maar het bleef weer bij dat heldenfeit. En liever werden er transacties aangegaan waarbij de rechtspersoon boetes betaalde ter afkoping van een vervolging die overigens de gemiddelde officier van justitie het angstzweet deden uitbreken. Ging het ter zitting mis, dan ging het ook heel erg mis. En werd het Openbaar Ministerie goed afgedroogd. Ook door de rechters. Er werd dus flink gestuurd op opmerkelijke sepots. Die eigenlijk niet goed verklaarbaar waren. En die weer de dompige sfeer deden ruiken van de achterkamertjes waaraan de Nederlandse rechtspleging toch wel mank bleek te gaan. Dat kon nu eens beter geregeld worden in een integrale herziening van de Wet op de Rechterlijke Organisatie waarin het sepotbeleid in operatieve artikelen eindelijk eens zou worden geregeld. Dat leidde tot de artikelen waarin dat afzien van de vervolgingsrechten expliciet werd geregeld als zaak vallend onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie. De regeling was natuurlijk weer gecompliceerd: artikel 127: Onze Minister kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie. En dan:

Artikel 128

  • 1 Onze Minister stelt het College van procureurs-generaal in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken voordat hij in een concreet geval een aanwijzing geeft betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.

  • 2 Onze Minister deelt het College de voorgenomen aanwijzing en de motivering daarvan schriftelijk mede. Onze Minister kan het College voor het kenbaar maken van zijn zienswijze een termijn stellen. De zienswijze van het College wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.

  • 3 Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.

  • 4 Slechts indien de aanwijzing in verband met de vereiste spoed niet schriftelijk kan worden gegeven, kan zij mondeling worden gegeven. In dat geval wordt zij zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen een week daarna op schrift gesteld. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op het mededelen van een voorgenomen aanwijzing door Onze Minister en voor het geven van de zienswijze door het College.

  • 5 De in het eerste lid bedoelde aanwijzing wordt, tezamen met de voorgenomen aanwijzing en de zienswijze van het College, door de officier van justitie of de advocaat-generaal bij de processtukken gevoegd. Voor zover het belang van de staat zich naar het oordeel van Onze Minister daartegen verzet, blijft voeging bij de processtukken achterwege, met dien verstande dat in dat geval bij de processtukken een verklaring wordt gevoegd waaruit blijkt dat een aanwijzing is gegeven.

  • 6 Indien het betreft een aanwijzing tot het niet of niet verder opsporen of vervolgen, stelt Onze Minister de beide Kamers der Staten-Generaal zo spoedig mogelijk in kennis van de aanwijzing, de voorgenomen aanwijzing en de zienswijze van het College, voor zover het verstrekken van de desbetreffende stukken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 129

  • 1 Het College verstrekt Onze Minister de inlichtingen die deze nodig heeft.

  • 2 De leden van het openbaar ministerie verstrekken het College de inlichtingen die het College nodig heeft.