We kwamen bijna gelijktijdig aan bij het Parket-Generaal in het begin van 2000. Beiden met zekere basale gevoelens van twijfel, schat ik. Ik kende het Openbaar Ministerie wel redelijk goed, zij het steeds als buitenstaander die toch met dit vervolgingskantoor ambtshalve veel te maken had. Ik werd immers — ik refereerde er al aan in eerdere Blogs — waarnemend griffier bij de strafsector van de arrondissementsrechtbank Den Bosch in de lente van 1977. Je ving toen voor een zittingsdag honderd gulden en dat was voor mij als doctoraalstudent te Tilburg mooi meegenomen want een beurs kreeg ik destijds niet omdat ik wat te oud was bij de inschrijving. Ik ben wat laat rechten gaan studeren. Ik leerde op de zittingen de Officieren van Justitie wel ter dege kennen en van de personaliteiten was ik nu niet direct onder de indruk. Geen persoonlijkheden, geen sociale performance op de zittingen, geen pleiters voor opzettelijke leedtoevoeging ter vergelding uit gedrevenheid. Geen corps, kortom, waarvan ik hunkerde deel uit te maken, zij het vaak in opstelling en roluitvoering onbedoeld lang niet onvermakelijk. Wijt het maar aan jeugdige arrogantie. En nu zat ik er toch bij, zij het aanvankelijk op detacheringsbassis, als raadadviseur in buitengewone dienst, want deel hebben aan deze toch vaak wel bizarre hiërarchie wilde ik geenszins. Ik ervoer andermaal dat zaken die standaard waren, dertien in een dozijn, redelijk moeiteloos zij het ongeïnspireerd, werden afgedaan. Maar heel gecompliceerd moest het niet worden voor de Officier, vooral niet in de fase waarin de tenlastelegging moest worden geredigeerd via mogelijk toepasselijke delictsomschrijvingen. Dat had ik al ervaren, later, bij de vervolging van de directie van Slavenburgs Bank. Zie hierboven. De constructie van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht om zo’n directeur als middellijke deelnemer als opdrachtgever of leidinggever te kwalificeren gold als buitengewoon ingewikkeld. Maar dat vooral omdat dat niet standaard in reeds voorliggende tenlasteleggingsformulieren stond. Zoiets was risicovol ter zitting als de rechters gingen doorvragen.
Wat ze doorgaans niet deden. Deden ze het wel, dan kwam de Officier doorgaans met de dooddoener dat hij de zaak had overgenomen van een collega die nu met vacantie was en maanden onbereikbaar liep te trampen in Ierland of een dergelijk oord. Neen, de juridische diepgang en parate kennis was niet vanzelfsprekend ingepakt bij de standaarduitrusting van een zittingsboer, dat kan ik u verzekeren. Maar tegenvielen deed mij dat in 2000 al lang niet meer. De Wijckerslooth kennelijk wel. Die placht daarover wel te klagen vooral als het om de kwestie ging of een publiekrechtelijke rechtspersopon via artikel 51 ook te vervolgen was. Of als de verdachte wellich een vervolgingsbeletsel tot zijn beschikking kon hebben wegens een hoogspersoonlijke status. Dat merkte De Wijckersloot meteen al bij de aanvang van het rampzalige onderzoek tegen Eric O. En niet tot zijn genoegen. In die zaak moest ik constant ter beschkking staan. Want de Officier van Justitie wist nauwelijk bescheid op de meest voor de handliggende vragen dienaangaande van de kant van de militaire kamer in de Arnhemse rechtbank. De zaak-Eric O. betreft de vervolging voor buiten het territoir van Nederland begane en voltooide feiten van de Nederlandse marinier Eric O. (ca. 1960) die in 2003 en 2004 deelnam aan de missie Stabilisation Force Iraqen betrokken was bij een schietincident op 27 december 2003. Hierover ontstond, met name in militaire kringen, veel commotie. Hij werd in oktober 2004 vrijgesproken door de militaire kamer van de rechtbank te Arnhem. Reden voor de vrijspraak was dat het Openbaar Ministerie niet aannemelijk had kunnen maken dat de marinier onterecht waarschuwingsschoten met dodelijk gevolg had gelost in Iraq bij een verkeerscongestie van VN-voertuigen op die missie. . Volgens de rechtbank had de verdachte onder moeilijke omstandigheden gehandeld.Het gerechtshof te Arnhem bevestigde dit vonnis op 4 mei 2005. De vervolgde kreeg een schadevergoeding van tienduizend euro. Sindsdien worden militairen bij een strafrechtelijk onderzoek naar een schietincident in eerste instantie als getuigen gezien. Tijdens de rechtszaken werd O. bijgestaan door strafrechtadvocaat Geert-Jan Knoops. Eerder was O. actief in Bosnië als lid van de Bijzondere Bijstandseenheid. Maar later bleek dat het gerechtelijk vooronderzoek flink was gefrusteerd door O. door het achterhouden van flink bezwarend bewijsmateriaal dat scheen te wijzen op de intentie en voorbedachte raad om eens dodelijke schoten te lossen. De actualiteitenrubriek NOVA berichtte op 31 maart 2007 dat sergeant-majoor John Hoekendijk aangifte had gedaan van bedreiging en intimidatie bij het onderzoek naar het schietincident waar Eric O. voor vervolgd was. Op 11 april 2007 maakte het Openbaar Ministerie te Arnhem bekend een onderzoek in te stellen naar de vraag of bewijsmateriaal was achtergehouden en of getuigen waren geïntimideerd. Op 19 december 2007 berichtte NOVA dat de rechter in de strafzaak misleid was door getuigen en dat bewijsmateriaal was achtergehouden. NOVA leidde dit af uit opnames van gesprekken met mariniers die aanwezig waren bij het schietincident. Het lichaam van de gedode Irakees had volgens de schouwarts een inschotopening op de rug en een uitschotopening in het gelaat waarbij het linkeroog en een deel van het gelaat totaal verdwenen waren. Het was daarmee duidelijk dat de man in de rug geschoten was, wat nooit kon wijzen op noodweer. Dit belangrijkste bewijsstuk werd voordat de Koninklijke Marechaussee aldaar er onderzoek op had kunnen doen, vrijgegeven door een officier van het Korps Mariniers die hiertoe niet bevoegd was. Alleen het rapport van de arts was dus nog aanwezig toen de Marechaussee ter plaatse kwam. Van opgraven van het lichaam kwam het niet omdat dit volgens de islam, de heersende godsdienst in Irak, uit den boze is. De Nederlandse Staat zegde Eric O. op 28 november 2008 een nieuwe schadevergoeding toe. De advocaat van de marinier en het OM kwamen daarover in een schikking overeen. Het OM wilde zo bijdragen aan het herstel van de goede naam van de militair. De hoogte van de vergoeding is niet bekendgemaakt