De Wijckerslooth XVI

Zo kwam het dat Arthur Docters van Leeuwen als eerste super-procureur-generaal als een eerloze schelm het bos in gestuurd werd in de nieuwe organisatie van het Openbaar Ministerie zoals voorzien in de lex-Donner. De pers smulde van de snedige details over dit décès. En ’s mans reputatie werd steeds besmeurde op basis van gelekte broodjes aap-verhalen herkomstig van anonymi die op deze slinkse wijzen hun gram wilden halen omdat ze in het nieuwere bestel geen rangsverbetering wisten te halen. Arthur werd weinig bespaard. Zo wist de pers opmerkelijk snel dat het koninklijk besluit waarin zijn ontslag werd voorzien niet in het dictum de gestandaardiseerde formules bevatten over de belangrijke diensten den lande bewezen onder bijzonder moeilijke omstandigheden en dat de gebruikelijke decoratiebevordering ook nog eens afwezig was gebleven en ga zo maar verder. Vaststond dat Stordiau maar ook de heer Borghouts, de secretaris-generaal van Justitie verlicht opademden: dat zij toch ook geen gelag hadden hoeven te betalen te dezen, want dat ze op een heftige en nodeloze confrontatie af hadden gekoerst wist waarschtatig iedereen die er toe deed. Borghouts kende Docters nog heel goed uit de periode dat zij beiden als aanstormen potentieel loopbaan waren gaan maken bij Binnenlandse Zaken waar de veldmaarschalkstaven in hun onderscheidelijkke ransels waren te vinden. Docters stond bekend als de sluwste van allen en buitte deze reputatie volledig uit. Waarop Docters zich ook weer beroemde, Oscar Wilde indachtig, die ried de kunst machtig te worden om de juiste vijanden te selecteren  en tegen elkaar uit te spelen. Het was duidelijk dat Docters nooit “De profundis” had gelezen van Oscar, waarin hij zijn smarten vereeuwigde in litteratuur die thans niet meer geapprecieerd wordt over de deerlijke hellekoortsen die Oscar daarmede ten dode opliep: Oscar stierf, ook weer deerlijk vereenzaamd en verslaafd aan illegale absinth in een armzalig hotelletje te Parijs, veracht door allen en van God verlaten zoals het bij dit soort bohemiens behoort. En eigenlijk zou dat ook de ultieme bestemming van  Docters worden. Borghouts was altijd vreesachtig op zijn hoede gewest voor de listen van Docters die hij aan anderen had zien voltrekken. Het had hem de juiste strategie geleken alvast een forse vlucht naar voren te maken, terstond nadat hij vernomen had dat Docters door Sorgdrager was aangezocht om de eerste super-procureur-generaal te worden van het Nederlandse Openbaar Ministerie, met een armslag gelijk een blanco volmacht die Docters ook in staat zou kunnen stellen competenties van de nieuwe secretaris-generaal van Justitie te assumeren, een vacante post waar waarachtig Borghouts ook op vlaste.

Beiden waren tot een dodelijke onderlinge concurrentieslag veroordeeld, maar via Stordiau had Borghouts altijd net een nipte voorsprong kunnen hebben. De achtergebleven leden van het aldus onthoofde College waren daarom ook voorlopig deerlijk de weg kwijt. De heer Gonsalves voorop, maar met hink-stap-sprong gevolgde door de andere leden van dit college van Staat.  De Wijckerslooth had zeker als landsadvocaat bemoeienis gehad met de aangezegde ontslagwijze betreffende Docters, die mare verspreidde zich snel, en ook dat deze De Wijckerslooth nu zelf opvolger zou worden van de aldus ontslagene.  Dat het Openbaar Ministerie deze nieuwkomer niet zou begroeten met de polyfone intrade van Händel “Sehet Er komt mit Preis gekront!’ was voorlopig zeker in het bruggebouw over de Utrechtse Baan, in het licht van de neonreclame van snackcar “De Vrijheid” op het viaduct van de Bezuidenhoutse weg dat schaduwen wierp in de deemsteringen op dat kantoor van het Parket-Generaal. En men veronderstelde dat de nieuwe voorzitter van het College wel ter degen dat bevroedde. Hetgeen nog schrikachtiger maakte in de rangen van de hiërarchie van dat Openbaar Ministerie. Men duchtte onheil. Allerwegen. Bij alle gelegenheden waarin dat te pas zou kunnen komen. Ik veronderstelde dat ook van De Wijckerslooth dat inzag. En dat hij dus niet moest solliciteren op de post van super-PG (zo noem ik het, maar omdat iedereen dat doet) Maar kwam erachter, al snel na aanvang van mijn werkzaamheden als raadadviseur van het College dat De Wijckerslooth van de prins geen kwaad wist. Hetgeen hem spoedig zou opbreken, dat óók. Tot 1977 was hij wetenschappelijk medewerker burgerlijk recht in Leiden, daarna tot 1999 advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, het kantoor van de landsadvocaat, in Den Haag. In 1987 werd hij benoemd tot landsadvocaat, als opvolger van Everhard Korthals Altes, die tot raadsheer in de Hoge Raad benoemd was. Daarnaast was hij vanaf 1983 rechter-plaatsvervanger in de rechtbank in Den Haag, en vanaf 1988 raadsheer-plaatsvervanger in het Haagse gerechtshof. Een mooie loopbaan. Waarin de klad kwam, toen hij In 1999 hij Arthur Docters van Leeuwen opvolgde, zij het niet naadloos, als voorzitter van het College van procureurs-generaal. Daarop had hij zich bepaald verkeken. De organisatie gaf hem geen enkele kans.  Het werd een samenspanningsbende tegen De Wijckerslooth. Als landsadvocaat werd hij opgevolgd door Bert-Jan Houtzagers. In de woelige jaren die volgden, benadrukte De Wijkerslooth het magistratelijke karakter van het Openbaar Ministerie, tegenover de crime-fighters die in de jaren daarvoor van zich hadden doen spreken. Hij baarde echter buitengewoon nadiezelend opzien toen hij in januari 2004 in NOVA het besluit van het OM verdedigde om marinier Eric O. te vervolgen. Eric O. zou in Irak opzettelijk en gericht op Irakezen hebben geschoten, met dodelijk gevolg. Later bleek dat de aanklacht rammelde. Eric O. werd van rechtsvervolging ontslagen. In mei 2005 nam De Wijkerslooth abrupt en voortijdig afscheid van het Openbaar Ministerie. Zijn opvolger was Harm Brouwer. Hij werd daarna hoogleraar strafrecht aan de Universiteit Leiden; in september 2010 ging hij met emeritaat. Een slopende afloop van een zo fraai gestarte loopbaan. Maar hij was de enige niet in het Haagse. Bepaald niet.