Joan Monus, de Man van de Maan

Vanaf het begin van zijn aantreden heeft Joan de Wijckerslooth niet echt tot in zijn nerven en venen aangevoeld dat hij werd ervaren als een buitenaards schepsel dat uit politieke overwegingen werd gedropt door de Minister Sorgdrager, die op haar beurt weer te maken had met de faam dat ze haar politieke bliksemcarrière volledig te danken had aan het feit dat die politiek vanuit progressivistische neoliberale invalshoek nu eindelijk op Justitie een vrouw wilde hebben als de beslissende bewindspersoon. Dat mannenbolwerk van kamgaren pakken met ambtenaren van boven schaal zestien die standaard een koelkast mochten plunderen met daarin flesjes diepgevroren rijkskorenwijn. Die na vijven gesavoureerd mocht worden ten laste van de begroting terwijl je  de voorgeschreven volstrekt verkeerde onderbroekenlol stond uit te wisselen, elkaar ander bulderend gelach steeds maar porren gevend in de uitpuilende antracietgrijze vesten van de firma Meddens. Daar hield D66 eigenlijk niet van. En daar had het toevallig ook wel goede redenen voor. Daar hield meisje Sorgdrager óók niet van. Want in die sfeer werd ze niet serieus genomen, ervoer ze. En dat had ze helemaal bij het rechte eind. Ook binnen het gloednieuwe roemruchte College van procureurs-generaal heerste de nanosferisische overtuiging dat meisje Sorgdrager nooit, maar dan ook nooit zo ver was gekomen als ze geen vrouw was geweest met opvallend korte rokken die glanzende lange benen onthulden in nylons die men doorgaans niet zag dragen in de laagbouw van Justitie, althans — haast ik mij eraan toe te voegen — niet door ambitieuze vrouwelijke ambtenaren met een meesterstitel. Mijn directe chef verzon ten dage dat Sorgdrager aantrad meteen een smoes om te gaan kijken op de derde verdieping Laagbouw van het justitiebastion aan de Schedelsdoekshaven. En hij kwam opgetogen terug. Verrek, het klopte. Droeg zijn vrouw maar dat soort rokjes en nylons, overwoog deze hooggeplaatste baron uit een befaamd geslacht, die voorbestemd was om raadsheer in de Hoge Raad te worden.

Ik moest aan deze cultus echt ook wennen, maar ervoer tot mijn verbazing dat De Wijckerslooth dat óók nog moest. Zo was destijds de avifauna van de rechterlijke organisatie en de rechtspleging samengesteld. De Officieren van Justitie vonden, dat zij bij uitstek bevoegd waren om toepassing te geven aan het strafvorderlijke opportuniteitsbeginsel conform de systematiek van het Wetboek van Strafvordering waarvan de meeste boeken en titels zich tot hen richtten. Tot hen bij uitsluitendheid. Nu kwam daar, lispelend en beschaafd haperend in stemgeluid ineens een jonkheer vertellen dat het hem dierbaar zou zijn indien in een bepaalde strafzaak vervolgd zou worden op een zeer bepaalde tenlastelegging, die hij ook nog eens woordelijk naar de bijpassende delictsomschrijving wilde dicteren aan de Officier. Het zou de jonkheer dierbaar zijn! Nu, dat gevoelen kon die Officier geenszins delen!  De Officier hoorde de super-procureur-generaal minzaam aan. En besloot, dat het hem geenszins dierbaar zou zijn deze inbreuk op zijn exclusieve strafvorderlijke bevoegdheden te gedogen. Hij knikte dus, klapte nog net niet met de hakken op Pruisische wijze en aanvaardde de terugreis naar zijn arrondissement, vastbesloten zelf op gans andere wijze te gaan vervolgen met bijkomende maling aan dat College van bedaagde nakketikkers. Ik stond erbij. En keek ernaar. En zag maar al te goed dat de Officier de jonkheer rubriceerde als Monus de Man van de Maan, een destijds veel beluisterd radio-hoorspelprogramma met vele, vele afleveringen waarin steeds duidelijker werd dat Monus, toevalligerwijze op aarde beland, niets, maar dan ook niets van de aardlingen kon begrijpen. En zij niet van hem. Monus de Man van de Maan was een meeslepend en ingewikkeld hoorspel, dat in de jaren vijftig op de zondagmiddag om 17.30 uur uitgezonden werd door de VARA. Het was een van de populairste Nederlandse radioprogramma’s in die tijd. Vanaf 1952 verschenen de avonturen van Monus ook in boekvorm. Monus is een creatie van de auteur A.D. Hildebrand. Monus werd van een stem voorzien door Paul Deen, professor Andree door Flip van der Schalie, terwijl Sacco van der Made de rol van Harm Peters (de assistent van de professor) vertolkte. Het is 1952 (dus vijf jaren vóór de lancering van de Spoetnik, hartje Koude Oorlog, en zeventien jaren vóór Neil Armstrongs “reuzenstap voor de mensheid”). Professor Andree en zijn assistent Harm Peters maken als eerste mensen een reis naar de maan.

Tot hun verrassing blijkt die bewoond te zijn door een menselijk ras. Doordat de maan kleiner is dan de aarde koelde hij sneller af. Daardoor zagen de maanmensen zich gedwongen in ondergrondse steden te gaan wonen en allerlei  levensreddende uitvindingen te doen. Daardoor kunnen ze nu voedsel, lucht, water en alles wat ze nodig hebben machinaal produceren. Ze hebben een samenleving opgebouwd waaraan iedereen naar vermogen bijdraagt, en die in elk opzicht beantwoordt aan de definitie van een utopie. Omdat er voor iedereen genoeg is, bestaat er geen geld meer en behoren oorlog en misdaad tot het verre verleden. Andree en Harm maken kennis met Monus. Monus woont in de ondermaanse stad Sinopol en is een bewaker van de aarde. Hij luistert regelmatig naar aardse radio-uitzendingen en heeft een reuzenkijker, zodat hij veel weet over de Tweede Wereldoorlog, de atoombomproeven en de agressieve debatten in de Verenigde Naties. Aanvankelijk beveelt hij de aardse bezoekers de maan te verlaten, thuis niets te vertellen over de maan-samenleving en nooit meer terug te komen. Maar dan krijgt hij te maken met de aardse misdaad. Een voormalige assistent van professor Andree heeft het ontwerp van Andree’s ruimteschip gekopieerd en verkocht aan een Amerikaan die goud en diamanten van de maan wil roven. Die komen op de maan veel voor en worden daar als tamelijk waardeloos beschouwd. Deze poging tot diefstal is voor de maanregering aanleiding om Monus met Andree en Harm mee te laten gaan naar de aarde en de aardbewoners te leren hoe zij in vrede kunnen leven. Dat gaat natuurlijk niet zonder slag of stoot. Dat geeft Monus alle gelegenheid zich overal mee te bemoeien. Ook al begrijpt hij er overduidelijk helemaal geen barst van. Basisnaïviteit is Monus niet vreemd.  Aan Harms moeder doet hij een koe cadeau omdat de melk zo duur is. Om honderd nieuwe lakens te kunnen opbergen laat hij een kast bezorgen die zó groot en zwaar is dat de bovenverdieping van het huis geruïneerd wordt. En een politieagent die lastige vragen stelt beschiet hij met zijn paralitum, een ongevaarlijk wapen, waardoor de man drie minuten verstijft. Als bekend wordt dat de Nederlandse regering de maan wil koloniseren met behulp van een vloot van zestig bewapende ruimteschepen, plegen Monus, professor Andree en Harm een overval op een radio-studio en houdt de professor een toespraak. Nu hoort het publiek voor het eerst van dit oorlogszuchtige plan en komt het in opstand: de regering wordt gedwongen af te treden. En iedereen wordt nu gelukkig en leeft nog lang.