De Wijckerslooth XI en de IRT-Affaire

De algemene indruk bij degenen die ambtshalve te maken hadden met de strafrechthandhavingsketen in Nederland werd steeds sterker, dat er toch iets fundamenteel mis was was met de wijze waarop gebruik werd gemaakt van de discretionaire bevoegdheden die besloten lagen in het strafvorderlijke opportuniteitsbeginsel en  het vervolgingsmonopolie zoals het Openbaar Ministerie dat verstond en toepaste en dat vriendjespolitiek daarbij een belangrijk smeersel was. En verder dat veel sepots het gevolg waren van stiekeme verstandhoudingen en afspraken, waarbij de scheiding der machten met voeten getreden werd. En voorts dat bovenwereld en onderwereld steeds meer met elkaar vervlochten bleken zodat men ook best kon spreken van een bananenrepubliek aan de Noordzeekust. Een schurkenstaat, wellicht. Zoals Columbia. Of Equador. De Parlementaire onderzoekscommissie naar ongeoorloofde opsporingspraktijken gaf aan deze indruk steeds meer feitelijke grondslag, althans daar leek het zeer sterk op. Ik doel hier op de IRT-commissie van Traa, naar de Voorzitter van sociaal-democratischen huize Maarten van Traa die niet meer van de beeldbuis af te branden was in het laatste decennium van de twintigste eeuw onzaliger nagedachtenis. Deze parlementaire enquête opsporingsmethoden ikomt neer op een onderzoek in 1994-1996 naar de opsporingsmethoden van de Nederlandse politie in de strijd tegen de georganiseerde misdaad. De commissie die het onderzoek uitvoerde, bekend als de commissie-Van Traa, naar haar geruchtmakende voorzitter Maarten van Traa die graag het politieke podium op bleek te zoeken en daarbij geharnaste taal placht uit te slaan kwam met bezwarende conclusies die niet meer genegeerd konden worden. Deze commissie werd ingesteld op 6 december 1994 door de voorzitter van de Nederlandse Tweede Kamer naar aanleiding van een debat in de Kamer op 16 november 1994. Hieraan vooraf ging de motie-Dijkstal c.s. die op 7 april 1994 werd aangenomen in de Tweede Kamer. De motie bracht de wens tot uitdrukking om een parlementair onderzoek in te stellen naar de opsporingsmethoden die in Nederland gebruikt werden en de controle hierop.

Achtergrond: de IRT-affaire

Het Interregionale Team

De zogeheten IRT-affaire was de achtergrond van de enquête en de aanleiding tot het opheffen in 1993 van het Interregionaal Recherche Team (IRT) Noord-Holland/Utrecht. De eerste berichten over dubieuze drugsvangsten door de Nederlandse politie en de daartoe gebezigde methoden die centraal kwamen te staan in deze affaire, handelden over de vangst van een ongekend grote partij cocaïne in IJmuiden, die in februari 1990 werd bekendgemaakt en mogelijk reeds het gevolg was van een waarschijnlijk reeds langer durende operatie waarbij volgens critici de politie zich op een hellend vlak begaf: het betrof een ongekend grote vangst van 2658 kg (destijds in de persberichten geclaimd als een “Europees record”), Het betrof een lading die per schip de haven binnengesmokkeld was, en aangetroffen werd in een loods op een industrieterrein, verborgen in uit Colombia geïmporteerde vaten geconcentreerde passievruchtensappen. De politie arresteerde hierbij drie Nederlanders, vier Colombianen en een Spanjaard. Er zou een tip zijn ontvangen over verdachte activiteiten in de lege loods. Vanwege vermoedens dat het om een grote drugszaak kon gaan, werd een speciaal team gevormd door de gemeentepolitie van Haarlem en Velsen en rechercheurs van de fiscale recherche (FIOD).

Deze vangst en de gerezen vragen over de daartoe waarschijnlijk gehanteerde methoden van opsporing zouden de aanleiding vormen voor een verder onderzoek door de politie van het district Haarlem (na latere herindeling Kennemerland), dat zich richtte op het volgen van nieuwe gesmokkelde partijen, maar uiteindelijk ook naar de handel en wandel van de opsporingsambtenaren die hiermee belast waren en zich daarbij bedienden van een of meerdere zogeheten “groei-informanten”. Dit betrof informanten die gedurende een zeer lange periode actief bleven in de betreffende smokkelbende.

De gecontroleerde afleveringen van massale hoeveelheden cocaïne die vervolgens weg raakten

Dit gebeurde blijkens het latere onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie welbewust met de bedoeling om meer van de betrokken smokkelbende(s) en de daarbij zowel de betrokken daders als hun “frontstores” oftewel dekmantelbedrijven. Dit betrof schijnbaar oorbaar handelende, doch ondertussen malafide dan wel slechts deels bonafide ondernemingen: bedrijven die waren opgezet of overgenomen als façade als deze in kaart te kunnen brengen. Als geheel nieuwe opsporingsstrategie werden welbewust nieuwe binnengesmokkelde grote partijen drugs juist niet onmiddellijk onderschept, doch daarentegen ongemoeid en oogluikend, als schijnbaar onopgemerkt doorgelaten en heimelijk gevolgd naar hun uiteindelijke bestemming.Dit “doorlaten” gebeurde met het oog op nog verder onderzoek naar de praktijken van de betreffende smokkelaars en de mogelijkheid van toekomstige nog grotere vangsten.

Daarbij ontstond echter een ondoorzichtige situatie, waarin de ingezette “groei-informanten” en mogelijk ook opsporingsambtenaren steeds verder verwikkeld raakten in (lucratieve) strafbare feiten, waarbij de verdenking ontstond dat zij daarvan zelf meeprofiteerden. Een en ander begon sterk te lijken op een onduldbare belangenverstrengeling onder een dekmantel van opsporing, waarvoor hun superieuren niet langer verantwoordelijkheid wilden dragen.Er rezen zeer ernstige twijfels over de integriteit en rechtmatigheid van deze bijzondere nieuwe opsporingsmethode, vergelijkbaar met de eerder strafrechtelijk principieel omstreden en uiteindelijk in de rechtspraak als ontoelaatbaar beoordeelde figuur van de pseudokoop, omdat opsporingsambtenaren zich daarbij immers zelf schuldig maakten aan uitlokking van strafbare feiten, maar dan nu zelfs op veel omvangrijker schaal en zelfs met een mogelijke verdenking van zelfverrijking.Het IRT Noord-Holland/Utrecht was een interregionaal samenwerkingsverband van een aantal politiekorpsen waaronder Amsterdam en Utrecht. Het team maakte gebruik van een omstreden opsporingsmethode, namelijk het gecontroleerd doorlaten van drugs onder regie van politie en justitie. Het doel daarvan was te kunnen doordringen tot in de top van de criminele organisatie die onderzocht werd, de “erven Bruinsma”. Eind oktober 1993 ontdekte de nieuw aangestelde teamleider, commissaris van de Amsterdamse politie Johan van Kastel, dat het IRT een opsporingsmethode hanteerde waarvoor hij geen verantwoordelijkheid wenste te dragen. Hij rapporteerde dit aan de korpsleiding in Amsterdam en na veel overleg (en hevige onenigheid) tussen de bij het IRT betrokken politiekorpsen, het Openbaar Ministerie en andere betrokkenen, leidde dit tot de opheffing van het IRT hetgeen op 7 december 1993 bekend werd gemaakt. Voor het onderzoek naar de consternatie die dit tot gevolg had, werd de commissie-Wierenga ingesteld. Er waren ondertussen grote spanningen ontstaan tussen de politiekorpsen Amsterdam en Utrecht waarbij onder andere corruptiebeschuldigingen over tafel gingen. De commissie-Wierenga kwam met een rapportage waarin de Amsterdamse politie de schuld werd toegeschoven. Wieringa en de zijnen gaven eigenlijk aan dat de Amsterdse Politietop door en door corrupt was maar dat het Openbaar Ministerie dat wist,. billijkte en aanvaarde. De hel barstte dus los. Ondertussen was al zoveel over misstanden in de opsporing naar buiten gekomen dat in de Tweede Kamer werd gevraagd om een diepgaande parlementaire enquête.