Bonnetjes-affaire

Sneller wil, daar komt het toch op neer, het Openbaar Ministerie de vrije hand geven bij het hanteren van het strafvorderlijke opportuniteitsbeginsel ter invulling van zijn vervolgingsmonopolie. Zie  https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/36125_initiatiefvoorstel_sneller   Dit onderdeel van de Nederlandse rechterlijke macht dat aan de knoppen staat van het criminele vervolgingsbeleid is best in staat om zelf te bepalen wanneer het gaat vervolgen en hoe en wat het voor straffen zal eisen. Het kan zelf het beste uitmaken hoe het de oorlog tegen de criminaliteit wil voeren, tactisch en strategisch en welke rechtsbeginselen daarbij wel of geen remmende strekking moeten hebben en hoe dat dan in de motiveringen van de eis, de bewijsredeneringen en de gevergde bewijsbeslissingen, de ontvankelijkheden en de bevoegdheidsvraagstukken waarvoor de rechter wordt gesteld tot expliciete uitdrukking moet komen. De rechter immers zal deze tussenbeslissingen nemend moeten toetsen, of voldaan is aan eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, effectiviteit  en de evenredigheid van de geëiste opzettelijke leedtoevoeging om eigenrichting te voorkomen en weerwraak af te dempen. In deze toetsen zal die rechter tot uitdrukking brengen of dat Openbaar Ministerie globaliter de beperkte capaciteit heeft willen aanwenden, klassenjustititie heeft uitgesloten en recht heeft gedaan aan het schuldbeginsel. Dat kan men gerust aan de rechterlijke macht overlaten. Ik dacht zelf, gelooid door mijn leermomenten bij het Parket-Generaal, eigenlijk gerust van niet. Helemaal niet, als men zich realiseert hoezeer de marges van het opportuniteitsbeginsel inmiddels heeft opgerekt nu steeds weer schimmige overeenkomsten met criminelen werden gesloten die het daglicht niet konden en kunnen verdragen, vooral bij gebreke van een geoorloofde oorzaak, waarbij een ernstige delinquent een buitenvervolgingstelling kreeg, wederrechtelijk voordeel mocht blijven genieten of zelf een royaal anonimiseringsprogramma kon doormaken, alles op kosten van de belastingbetaler. In de deemstering van een merkwaardig voorgeborchte onder beheer van een Officier die geen verantwoording schuldig bleek aan hoger gezag.   De Teevendeal is er een voorbeeld van.

 Dat was een deels geheime schikking uit 2000–2001 tussen het Nederlandse Openbaar Ministerie en de drugshandelaar Cees H. Als onderdeel van deze schikking werd een eerder in beslag genomen bedrag van 4,7 miljoen gulden aan H. terugbetaald. De schikking is vernoemd naar toenmalige Officier van justitie Fred Teeven, die haar trof. De details ervan werden buiten het zicht van de Belastingdienst en de FIOD gehouden.Deze geheimhouding leidde vanaf 2014 tot 2017 tot een slepend politiek schandaal. Teeven, destijds staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Minister Ivo Opstelten, Tweede Kamervoorzitter Anouchka van Miltenburg en Opsteltens opvolger Ard van der Steur traden als gevolg van de “bonnetjesaffaire” af. Wat de inhoud van deze schikkings en vaststellingsovereenkomst was en is is nog steeds een zorgvuldige gekoesterd raadsel, dat Teeven  vermoedelijk mee zal nemen in zijn graf. Cees H. werd in 1994 veroordeeld tot vier jaar celstraf wegens grootschalige, internationale hasjhandel. Na zijn veroordeling probeerde het OM hem bovendien 500 miljoen gulden aan geschatte onrechtmatige winsten af te nemen. Na onderzoek door de FIOD werd de schatting teruggebracht tot 21,7 miljoen. Het OM legde nog in 1994 beslag op H.’s bankrekeningen in Luxemburg, met daarop een saldo van enkele miljoenen, maar de ontnemingsprocedure kwam eind dat jaar stil te liggen. In 1998 begonnen Teeven en zijn collega Ben Swagerman onderhandelingen met H.’s advocaat Piet Doedens om tot een schikking te komen. In 2000 werd overeengekomen dat H. een boete van 750.000 gulden zou betalen; na aftrek hiervan werd het saldo op zijn bankrekeningen aan hem teruggegeven.[3] Het jaar daarop werden de transacties uitgevoerd. Teeven besloot om de schikking geheim te houden voor de fiscale autoriteiten in binnen- en buitenland. In plaats van het beslag op H.’s rekeningen op te heffen, werden deze leeggehaald en werd het restsaldo via Doedens naar H. doorgeboekt. Het College van procureurs-generaal werd op zijn beurt niet ingelicht over de geheimhouding, behalve dat twee maanden na het sluiten van de overeenkomst de waarnemend voorzitter van dit college werd geïnformeerd. Deze accordeerde zonder zijn collega’s op de hoogte te stellen. De volksvertegenwoordiging wist ervan, had ernstige redenen om de geldigheid van de overeenkomst aan de openbare orde te stellen, maar voelde er niet veel voor, want dat zou een kabinetscrisis kunnen veroorzaken. Maar de affaire nam steeds groteskere proporties aan. De Kamer moest iets doen, maar tegen heug en meug, dat was op de televisie wel duidelijk aan het worden. Al in 2002 werden Kamervragen over de deal gesteld naar aanleiding van een uitzending van Reporter, waarin een verband gelegd werd tussen de schikking en de in de jaren 90 ingevoerde plukze-wetgeving. Verantwoordelijk minister Benk Korthals refereerde in zijn antwoord aan een bedrag van twee miljoen gulden dat in beslag zou zijn genomen. Daarop was de affaire twaalf jaar lang geen nieuws.Pas in 2014 kwam de deal opnieuw in de belangstelling door een uitzending van Nieuwsuur, waarin nadere details werden onthuld en het OM werd beticht van een witwasoperatie ten gunste van H.
Concreet bewijs (het “bonnetje” van de transactie) ontbrak aanvankelijk, waardoor discussie ontstond over het precieze bedrag. Verantwoordelijk Minister Opstelten vertelde de Tweede Kamer dat bij de schikking een bedrag van ongeveer 1,25 miljoen gulden terugvloeide naar H., maar dat het precieze bedrag niet meer te achterhalen zou zijn. Teeven zei zich het bedrag niet te herinneren, terwijl raadsman Doedens meldde een bedrag van bijna vijf miljoen gulden te hebben ontvangen ten bate van zijn cliënt. Pas in maart 2015 werd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie alsnog het “bonnetje” geleverd: uit een afschrift uit een verouderd financieel computersysteem bleek het werkelijke bedrag 4,7 miljoen gulden te zijn. Opstelten trad af omdat hij de Kamer verkeerd had geïnformeerd, Teeven omdat zijn betrokkenheid bij de oorspronkelijke deal zijn geloofwaardigheid als staatssecretaris had aangetast.[ Opstelten werd opgevolgd door een geharnaste partijgenoot, op dat moment Kamerlid, Ard van der Steur. Die viel uiteindelijk zich ook te barsten over de Bonnetjes die gewoon hadden gezeten in de slip van het manchet van het strafdossier tegen H. Waar ze al die tijd hoorden. En verder was er, makkelijk traceerbaar in de digitale cloud van Justitie, een soort van afrekeningsstaat te vinden in gewoon Nederland en direct leesbaar zonder codes, waarin de afrekenposten stonden opgesomd, maar niets bleek te staan over de geheimen die de bevoordeelde crimineel in ruil had vrijgegeven en met welk effect. Dat bleef staatsgeheim. En ook hier legde de Kamer zich bij neer. Ze drong niet aan. En dat stonk. En stinkt. Nog steeds. Later, toen het totaal niet meer terzake deed, gaf Oud-minister van Justitie Ivo Opstelten toe dat hij fouten had gemaakt in die zogenoemde bonnetjesaffaire. Dat zei de oud-politicus in de biografie die later van de persen rolde en waarin hij laconiek toegaf dat hij maar wat gezegd had om zijn Openbaar Ministerie deze keer uit de wind te houden.  Maar waarom, dat zei Opstelten weer niet. En ook daar legde de Kamer zich bij neer. Niet eens morrend.  Opstelten verweet zichzelf onder meer alleen maar adviezen te hebben genegeerd van zijn ambtenaren om niet te speculeren over de kwestie. Zo gokte hij tijdens een debat welk bedrag er ongeveer geschikt was met crimineel Cees H. In de biografie noemt Opstelten dat “enorm stom”, iets dat hem bij thuiskomst na het debat ook meteen werd verteld door zijn vrouw. “Nou Stelten”, zei Mariëtte tegen me. “Dat was wel ongeveer het stomste wat je zeggen kon”, vertrouwde ze hem toe. Zo zie je, dat het huwelijk toch nog wel een zekere zin kan hebben. Zij het ongedachterwijze. De deal bleef dubieus en zal nog voor sporreling zorgen. Teveel mensen weten wat er afgekocht is. Maar ook dat het Openbaar ministerie daar niet mee zit. In 2015 stapte Opstelten samen met zijn staatssecretaris Fred Teeven op vanwege de affaire rond de deal met H., die juist draaide om die geheime, dubieuze schikking die Teeven als officier van justitie sloot met de drugshandelaar in 2000. En daarom zou ik menen dat Sneller een wat merkwaardig initiatief heeft ontwikkeld. Al is het ijverig. En sneller, dat wel. De huidige afdoeningen via overeenkomsten met criminelen zijn vaak nog stroperiger en ook onbegrijpelijk.  En daarom moet het Openbaar Ministerie in dit opzicht ook voortgezet onder curatele.