Sneller wil, daar komt het toch op neer, het Openbaar Ministerie de vrije hand geven bij het hanteren van het strafvorderlijke opportuniteitsbeginsel ter invulling van zijn vervolgingsmonopolie. Zie https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/36125_initiatiefvoorstel_sneller Dit onderdeel van de Nederlandse rechterlijke macht dat aan de knoppen staat van het criminele vervolgingsbeleid is best in staat om zelf te bepalen wanneer het gaat vervolgen en hoe en wat het voor straffen zal eisen. Het kan zelf het beste uitmaken hoe het de oorlog tegen de criminaliteit wil voeren, tactisch en strategisch en welke rechtsbeginselen daarbij wel of geen remmende strekking moeten hebben en hoe dat dan in de motiveringen van de eis, de bewijsredeneringen en de gevergde bewijsbeslissingen, de ontvankelijkheden en de bevoegdheidsvraagstukken waarvoor de rechter wordt gesteld tot expliciete uitdrukking moet komen. De rechter immers zal deze tussenbeslissingen nemend moeten toetsen, of voldaan is aan eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, effectiviteit en de evenredigheid van de geëiste opzettelijke leedtoevoeging om eigenrichting te voorkomen en weerwraak af te dempen. In deze toetsen zal die rechter tot uitdrukking brengen of dat Openbaar Ministerie globaliter de beperkte capaciteit heeft willen aanwenden, klassenjustititie heeft uitgesloten en recht heeft gedaan aan het schuldbeginsel. Dat kan men gerust aan de rechterlijke macht overlaten. Ik dacht zelf, gelooid door mijn leermomenten bij het Parket-Generaal, eigenlijk gerust van niet. Helemaal niet, als men zich realiseert hoezeer de marges van het opportuniteitsbeginsel inmiddels heeft opgerekt nu steeds weer schimmige overeenkomsten met criminelen werden gesloten die het daglicht niet konden en kunnen verdragen, vooral bij gebreke van een geoorloofde oorzaak, waarbij een ernstige delinquent een buitenvervolgingstelling kreeg, wederrechtelijk voordeel mocht blijven genieten of zelf een royaal anonimiseringsprogramma kon doormaken, alles op kosten van de belastingbetaler. In de deemstering van een merkwaardig voorgeborchte onder beheer van een Officier die geen verantwoording schuldig bleek aan hoger gezag. De Teevendeal is er een voorbeeld van.

