Rotterdam/Den Haag vice versa binnenvaarttocht

In diverse Blogs hierboven ging het al even over een binnenbeurtvaartproject dat ik tracht op te zetten namens de Stichting Arcadisch Madestein, de gemeente Den Haag en enige ANBI-fondsen waaronder enige katholieke ANBI_Stichtingen enerzijds en, naar ik hoop, de gemeente Rotterdam anderzijds. Madestein is een kweldergebied dat sedert 550 is ontgonnen door de Benedictijner Monniken achter de loze duinen westelijk van Den Haag als onderdeel van een interregionaal polderproject onder supervisie van deze Orde, die daartoe concessie kreeg vanwege de Paus. Het ging om een grote dijkage die Holland en Het Sticht (het bisdom Utrecht) voorzien zou van één aaneengesloten zeewering. Holland liep destijds bij springvloed en westerstorm steeds onder met verzilting van dien. Utrecht ook, maar dan via de getijden vanuit het Flevomeer. Dit waterstaatsproject was onderdeel van een geopolitiek plan om de Lage Landen te winnen voor de stedehouder Christi als soevereiniteitsgebied. De te ontginnen polders en kwelders zouden namens de Heilige Stoel uiteindelijk verpacht worden en via heffingen gefiscaliseerd worden. De Orde zou het plan aannemen en uitvoeren. De wereldlijke macht zou het voorzien van politionele doorzettingsmacht in te zetten door de Abten van Egmond en Utrecht. Dat zou gedaan worden door brigades krijgsknechten te mobiliseren via de persoon die zich later de Graaf van Holland zou noemen. Het centrale polderkantoor zou gelegen zijn daar waar de weteringen de Rotte en de Love samentreffen en destijds uitwaterden op de gigantische binnenzee de Mer-Wede.
Ik zet dit plan waterstaatstechnisch uiteen in een monografie die u vindt onder https://gerardstrijards.nl/wp-content/uploads/2025/08/001-DE-HOLLANDSE-GROOTE-DIJCKAGIE.pdf. De monniken zetten het dijkparcours uit. Ze definieerden de dijkparken in Romeinse passen. Per park zou het poldergebied verpacht worden. De pacht zou in natura zijn. Een tiende van de forfaitaire opbrengst naar veldgewas en geteeld vee. Pluimvee en eieren inbegrepen. Munten waren nauwelijks in omloop. De centrale administratie werd gevoerd in een poldercentrum bij de dam te slaan over de wetering De Rotte, waar de pachten verkaveld zouden worden en gedelinieerd, dus vertaald in te bewerken oppervlakten grond met hun agrarische bestemming en bewerkingswijze. Men startte in Egmond Noordwaarts omdat ook Noord-Holland steeds aan vloeden onderhevig was, waarbij dat Noorderkwartier tot aan de Amstelmond bij het Oer Y omdijkt zou worden. Daar waar de zeegang voorshands onbedwingbaar leek zou men zich met kweldering vergenoegen: geen zware zeewering maar wel steeds dammen en dijken met voortdurende bewaking. Madestein was één van die gebieden: een calamiteuze polder: dus een polder waar geen beginnen aan was. Zie daarover: https://www.stichtingarcadischmadestein.nl/verzorgde-wandelingen-madestein/

Abdijkerk Loosduinen – Foto: Stichting Arcadisch Madestein


Het polderproject, bekend als de groote dijckagie of de groote ontginning was klaar in 1420. Van Egmond tot Hohorst bij Amersfoort. Dit project spreekt tot de verbeelding. Want het schetst inzichtelijk de wording van Holstland, Houtland of Holland. De bebronning steunt op de Vaticaanse notaties in belastingformulieren waarin de getrapte fiscale afdrachten aan de Paus per park werden vastgelegd  en verantwoord werden, ook naar de inmiddels op het traject naar de Heilige Stoel afgelegde innings- en heffingentrajecten van bureaucratische aard. De ambtenaren zagen hier hun salarissen groeien en hun schalensysteem onderling. En dat was de bron van hun bestaan, dus met die administratie en de daaraan verbonden papieren oorlog van de inningsburo’s waren ze secuur bezig. Ik hou er voordrachten over. De belangstellenden mopperen dat het zo moeilijk is om een adequaat beeld te krijgen van het project. Ze snappen wel ongeveer wat dit middeleeuwse DELTA-plan inhield, maar ze kunnen het niet zintuigelijk zich voorstellen. Dus heeft de Stichting wandeltochten en beurtvaarten uitgezet. Waarbij ook gemeentes die moeten worden aangedaan betrokken zijn, omdat een watergang, boezem of molengang in hun gebied ligt. Daar wordt dan afgestapt. We hebben nu de beurtvaart vanaf Den Haag tot aan de Rotterdamse Delfse Vaart in kaart gebracht en de bijbehorende ontheffingen en vergunningen aangevraagd en veelal verkregen. We zouden willen debarkeren op het Grotekerkplein en dan een rondleiding in de Laurens willen houden steeds voor ongeveer dertig deelnemers onder leiding van een gids. Zou Rotterdam als gemeente daarin kunnen toestemmen en dat wellicht intern ter zijner tijd willen faciliteren indien geen beletselen  opdoemen zoals een dienst of uitvaart in de Sint Laurens die dan als bedehuis fungeert? Het gaat om een instemming ten principale. Want de frequentie en de samenstelling van de schepelingen zijn ook belangrijk en daar heeft de Stichting nog geen duidelijkheid over.

Het aantrekkelijke is dat de Laurens gepresenteerd kan worden als wereldlijk publiek gebouw. Dus abstract van de religie, die voorshands niet direct verenigend werkt. Dat is noodzakelijk nu de Sint Laurenskerk als gebouwelijkheid  eigendom is van de gemeente Rotterdam. Die moet het aanwenden, conform de Gemeentewet, als een algemene nutsinstelling die ten dienste staat van alle gemeentenaren die rechtmatig in Rotterdam wonen en belastingplichtig zijn. Ongeacht hun religieuze denominaties, inculturaties of godsdienstige oriëntatie en staathuishoudkundige inzichten. Dat wás deze reeks opstallen dan van den beginne aan dan ook. Het was een centrale opslagplaats voor dijkmaterialen en polderkunstwerken, een veilinghuis voor kweldergunningen, dijkparken om te pachten, vergunningen voor besassingen, besluizingen, bruggen en jaagpaden en zelfs concessies voor windvang voor de molengangen die de Benedictijnen later over het landschap deden uitwaaieren en die Holland naar structuur, aanleg en inrichting volledig zouden gaan bepalen. Met een architectenkantoor waar de dijkplanning werd opgesteld en uitgefaseerd aanbesteed tot aan Vleuten. Je kunt het nog zien aan de zijkapellen. Het zijn schuren geweest zoals men nu nog in Lisse kan zien met een gotische constructie van raampartijen, montants, beuken en luchtbogen. Bestemd voor een verantwoorde opslag van de riettenen matten die er gevlochten werden, de impregneringen van de schoeren waarop de lagen opgaand metselwerk nodig voor deze kunstwerken zouden steunen en de verzwaringsbazaltblokken om het dijklichaam in toom te houden bij westerstorm.