Ambachtsgebied Abtsregt bij de Delf

Het Ambacht Abtsregt was vroeger onderdeel van een enclave, toebehorend aan de Abt van Egmond om dijkagemateriaal op te slaan in de middeleeuwen. Het is nog landschappelijk nog zichtbaar dat het hier ging om een dijkagecentrale van waaruit die monniken uit Egmond de grote polderontginning startten voor de drooglegging van het Groene Hart van Zuid-Holland. Het klopt helemaal  met de wereldlijke stukken in de administratie van de Hollandse grafelijkheid dat het voormalige Ambacht Abtsregt (ook bekend als Abtsrecht, grotendeels samenvallend met de huidige polder Abtswoude ten zuiden van Delft) een middeleeuwse enclave was. Graaf Floris I schonk dit gebied in de elfde eeuw (omstreeks 1060) aan de machtige Abdij van Egmond. De abt gebruikte deze strategische grond onder andere voor de opslag van ‘dijkagemateriaal’ (klei, rijshout en zand) om de vroege waterkeringen in dit nattere veengebied te onderhouden. Als je vandaag de dag door dit gebied wandelt of fietst, is deze middeleeuwse geschiedenis landschappelijk absoluut nog zichtbaar, al moet je wel weten waar je naar kijkt. Het landschap vertelt het verhaal van de Egmonder Abt via drie prominente sporen: 

Paaltjasker

1. De Tanthofkade (De middeleeuwse grens)

De westgrens van het Abtsregt werd gevormd door een zeer vroege waterkering: de Tanthofkade (in de middeleeuwen ’t Anthooft genoemd). Deze kade werd in de twaalfde eeuw voltooid om het ontgonnen bezit van de abt te beschermen tegen het water uit het nog onontgonnen, woeste veenmoeras ten westen ervan (richting Schipluiden).

  • Nu nog te zien: De Tanthofkade ligt er nog altijd. Het is een prachtig, onbebouwd historisch groenlint dat nu de grens vormt tussen de Delftse woonwijk Tanthof en Midden-Delfland. Het functioneert als een herkenbare, verhoogde dijkstructuur in het landschap en doet tegenwoordig dienst als fietspad en ecologische zone.

2. Het slagenlandschap (De ontginningsas)

Het Abtsregt werd ontgonnen vanaf de centrale polderweg die we nu kennen als Abtswoude (vroeger de Papsouse Wegh). Vanuit deze centrale as groeven de middeleeuwse kolonisten parallelle sloten loodrecht op de weg om het veen te ontwateren. Dit heeft geleid tot een zogenaamd ‘slagenlandschap’ (langgerekte, smalle stroken land).

  • Nu nog te zien: Zodra je de bebouwde kom van de Delftse wijk Tanthof-West verlaat en Midden-Delfland binnenrijdt, zie je dit kaarsrechte, middeleeuwse slotenpatroon nog perfect liggen. De kavels liggen exact zo georiënteerd als de boeren van de abt ze destijds hebben opgemeten.

3. De historische boerderijplaatsen

De abdij verpachtte de grond in zogeheten hoeven (boerderijen met land). Omdat de bodem door de ontwatering inklonk (bodemdaling), moesten boerderijen door de eeuwen heen vaak worden herbouwd, maar dat gebeurde vrijwel altijd op exact dezelfde, verhoogde erven.

  • Nu nog te zien: Langs de weg Abtswoude liggen nog altijd verschillende eeuwenoude boerderijplaatsen. Hoewel de huidige gebouwen vaak uit de zeventiende tot negentiende eeuw stammen, liggen ze op de exacte locaties die al in de grafelijke registers van de middeleeuwen werden opgetekend. Een markant herkenbaar punt in de buurt is de overgang naar het Abtswoudse Bos, waar de historische structuur deels is verweven met moderne recreatienatuur. Leuk detail: De naam leeft ook subtiel voort in de stad Delft zelf. De Papsouwselaan in de wijk Voorhof is vernoemd naar Papsou, de eeuwenoude volksmond-naam voor Abtswoude (oorspronkelijk Popta’s Wolde, Het Woud van kolonist Popta). Delft zelf is ontstaan aan een gegraven waterloop, de ‘Delf’, een oorspronkelijk in een westwaartse knik verlopende watergang aan de Schie, noordwaarts, gegraven verlenging van de Schie, en heet daar ook naar; delven betekent graven. Op de verhoogde plaats waar deze ‘Delf’ de kreekwal van het dichtgeslibde riviertje de Gantel kruiste, was, vermoedelijk sinds de 11e eeuw, een grafelijke vroonhof gevestigd. Delft was mede hierdoor een belangrijk marktcentrum, wat nog te zien is aan de omvang van het centrale Marktplein. Veel grachten in Delft zijn verbonden met deze Delf en heetten oorspronkelijk ook weer Delf. Maar op den dii had die aanduiding elk onderscheidend vermogen verloren. Men is dus het gehucht van daggelderswoninkjes uiteindelijk gaan heten naar het resultaat van hun arbeid, de Delft, het gedolven dat voor polderaanleg werd aangewend.

Vanaf 1246

De stadsbrand van 1536 verwoestte een groot deel van de stad.

Graaf Willem II van Holland verleende Delft op 15 april 1246 stadsrecht. Handel en nijverheid kwamen er tot grote bloei. In 1389 werd de Delfshavensche Schie naar de Maas gegraven, aan de monding hiervan kwam de zeehaven Delfshaven. Delft was tot de 17e eeuw een van de grote steden van het graafschap (later provincie) Holland. In 1400 had de stad bijvoorbeeld 6.500 inwoners en was zo de derde stad in grootte, na Dordrecht (8.000) en Haarlem (7.000). In 1560 was Amsterdam met 28.000 inwoners uitgegroeid tot de grootste stad, gevolgd door Delft, Leiden en Haarlem, die elk ongeveer 14.000 inwoners hadden. Hoewel de verstedelijking van Delft in de twintigste eeuw een groot deel van de polder heeft opgeslokt, loop of fiets je zodra je de Tanthofkade passeert letterlijk over de oude grenzen van de Abt van Egmond.