De waterstaatsstructuur van Rijnland is beduidend anders dan die van Delfland en Schieland. Hoe dichterbij de Abdij van Egmond, hoe meer geduchte kunstwerken opgeworpen zijn ter wering en beheersing van de zee en van de inlandse waterstaatshuishouding. Terwijl deze teruglopen vanaf de Schie-dam. Dan worden de kunstwerken oostwaarts zoals molengangen, sluizen en overlaten minder. Heeft dat te maken met de grote afstand die de dijktransporten per park moesten afleggen, omdat Holland in de middeleeuwen nauwelijks infrastructuur bezat? Het is een vooronderstelling die men vaak aantreft in de contemporaine geschiedschrijvingen waarin verslag wordt gedaan van de bedijkingen van Holland, het houtland met zijn wouden die ondoordringbaar waren en een mangrovestructuur hadden. Dat wordt vaak als werkhypothese,ingenomen. Hoe verder van de Abdij, hoe minder waterstaatkundige kunstwerken die zorg behoeven, die over deze afstanden niet is te borgen. De Abt raakte het contact met renbodes en kondschapsdiensten stomweg kwijt, Hij kon over deze afstanden tot aan Overschie niet goed de voortgang en planmatigheid van de operaties leiden. De Benedictijnen konden wel kondschapsdiensten onderhouden met Luik, Keulen en Trier omdat daar grintbeddingen waren langs de rivieren zoals De Maas en de Rijn. Bovendien waren deze rivieren goed bevlotbaar. Dat was met de rivieren, weteringen en beken in de Hollandse delta’s meestal niet het geval. Ze waren te ondiep en kenden te veel meanderingen met zandbanken. Dat is een mijmering die je bevangt, staande op een heuveling bij het natuurpark bij Zoetermeer tot aan Gouda. Deze theorie dat de afstand van dijktransporten de oorzaak is van de verschillen in waterbouwkundige kunstwerken (zoals sluizen, dammen en dijken) tussen Rijnland, Delfland en Schieland is historisch gezien heel creatief gedacht, maar de werkelijke reden ligt ergens anders.

Molen de Korenaer Loosduinen – Foto Stichting Arcadisch Madestein
Het verschil heeft niet zozeer te maken met een gebrek aan infrastructuur of transportafstanden per kar, maar met geologie, de chronologie van de ontginningen en politieke machtscentra in het middeleeuwse graafschap Holland.
Dit is hoe de vork historisch en geografisch echt in de steel zit:
1. De Abdij van Egmond en de kern van het Graafschap
De Abdij van Egmond was in de vroege en hoge middeleeuwen het geestelijke en culturele centrum van het jonge graafschap Holland. De graven van Holland (zoals Dirk II en Dirk III) hadden hier hun machtsbasis. Omdat het noordelijker gelegen herenboeren- en grafelijk gebied kwetsbaarder was voor de oprukkende Zuiderzee en de Noordzee, werd er vanuit dit politieke centrum al vroeg en intensief geïnvesteerd in zware infrastructurele werken (de zogenaamde ‘geduchte kunstwerken’). Het vroege Rijnland profiteerde van deze nabijheid van de grafelijke macht en de vroege organisatiegraad.
2. Geografie en het natuurlijke watersysteem
Het belangrijkste verschil tussen Rijnland enerzijds en Delfland/Schieland anderzijds is de aard van hun waterafvoer:
-
Rijnland: Dit was een gigantisch, complex systeem van onderling verbonden meren en plassen (het Oude Rijn-gebied). Omdat de monding van de Oude Rijn bij Katwijk al in de 12e eeuw verzandde, raakte Rijnland zijn natuurlijke afvoer kwijt. Men móest wel gigantische sluizen en dammen bouwen (zoals bij Spaarndam en Gouda) om het water via andere wegen (het IJ en de Hollandsche IJssel) te lozen. Dit vereiste vroege, grootschalige collectieve organisatie (de basis van het Hoogheemraadschap van Rijnland). Dat alles kun je goed zien vanuit onze eerste aftapplaats, de handelde van onze beurtvaarttocht naar Rotterdam, Grotekerkplein bij de Sint Laurens, de Benedictijner poldercentrale. Je ziet in Rijnland zwaardere dubbele besassingen, overlaten met sluizen die dubbelgesloten kunnen worden, afdammingen en wateroverlaten via bewaarboezems voor alle seizoenen.
-
Delfland en Schieland: Deze gebieden liggen zuidelijker en waterden van nature veel korter en directer af op de Maasmonding (de Merwede/Nieuwe Maas) via veenstromen zoals de Schie en de Rotte. Omdat de afvoerlijnen korter waren en de riviermonding open bleef, waren er in eerste instantie minder complexe, achterliggende kunstwerken nodig. Pas toen de bodem door ontginning begon te dalen, werden ook hier de veenstroompjes afgedamd (de Schiedam, de Rotterdam) – maar dat gebeurde dus later en compacter.
3. Hoe zat het dan met dat transport?
De aanname dat er nauwelijks infrastructuur was klopt voor landwegen, maar in de middeleeuwen was water de snelweg.
Dijktransporten gingen destijds vrijwel nooit over grote afstanden per kar over land. Klei, rijshout (vlechtwerk van wilgentakken) en palen werden per schip (schuiten en pramen) over de talloze binnenwateren, sloten en vlieten vervoerd. Water was overal. Men hoefde dus geen honderden kilometers met zware karren door de modder te zeulen; het transportnetwerk via het water was juist uitstekend, zelfs in de middeleeuwen. Kort samengevat: Het feit dat de waterbouwkundige werken ’teruglopen vanaf de Schie-dam’ heeft te maken met het feit dat Delfland en Schieland een compacter, directer afwateringssysteem op de Maas hadden. Rijnland daarentegen was een gigantische, ingesloten waterwolf die door zijn geologische pech (de verzande Rijnmonding) veel grotere en complexere kunstwerken nodig had om de voeten droog te houden.
