Karim Khan III

Strafvorderlijk onderzoek naar Khan’s deelneming aan of betrokkenheid bij seksuele intimidaties binnen het raam van de bij ICC heersende ambtelijke verhoudingen en zulks ten laste van aan Khan ondergeschikte vrouwelijke personeelsleden heeft plaatsgehad en heeft geleid tot verdere stappen. Helemaal zonder enige feitelijke grondslag kunnen de genoemde aantijgingen dus niet zijn, maar dat is nog geen reden om aan te nemen dat de gedragingen strafbare feiten opleverden. Dat is uiteraard thans wel het uitgangspunt van de mainstreammedia die deze zaak nauwlettend volgen zulks met het kennelijk oogmerk ICC onherroepelijk via Khan te beschadigen. Het onderzoek heeft mede op Nederlands territoir plaats gehad en loopt mede via genoemde private ondernemingen die zich onderzoeksbureau noemen. Wie hen inzette, waarom, in welke fase en met welke opdracht is vooralsnog onduidelijk al wordt er zeer veel gespeculeerd via gissingen en getrapte vermoedens over Khan als middellijke opdrachtgever. Het eerste onderzoek naar Khan is uitgevoerd door de waakhond van de VN. Dat onderzoek betrof duizenden pagina’s, met vooral feitelijke informatie. Het idee was dat daarna een panel van drie rechters van het ICC een beslissing moest nemen over de bevindingen van de waakhond van de VN. Al Jazeera nota bene berichtte dat er geen andere getuigen waren die het verhaal van de vrouw konden ondersteunen. Dat is ook logisch, omdat er geen anderen bij waren. Bovendien heeft deze krant er juist alle belang bij om de zaak in de doofpot te krijgen. Maar uiteindelijk is het rapport beoordeeld door drie rechters. Die waren van mening dat Khan wel weer kon werken, omdat de misdragingen juridisch gezien nog niet vaststaan. Daarbij hanteerden de rechters standaarden die zij ook gebruiken in hun normale strafrechtelijke praktijken, terwijl het hier ook gaat om een zaak van seksueel ongepast gedrag in een werkrelatie.  Wel was duidelijk dat er wel bewijs was dat Khan zich mogelijk misdragen zou hebben. Een zeer bijzonder oordeel en een zeer bijzondere procedure. Kortom: het was een soort semi-rechtszaak, waarin rechters een voorlopige uitspraak deden.

Het is een figuur, waarin het rechtsmachtbeginsel van de complementariteit in het Statuut van Rome deels neergelegd in ieder geval niet voorziet. Dat beginsel heeft uitdrukkelijk betrekking op ernstige, grensoverschrijdende krenkingen van het humanitaire recht dat staten als minimum gedurende een periode van een (dreigend) gewapend conflict moeten eerbiedigen. Het centrale artikel hier is artikel 5 van dat Statuut. De uitwerking van het complementariteitsbeginsel dat aan ICC bij de opsporing en vervolging een subsidiaire plaats inruimt is verdeeld over verschillende artikelleden betreffende de rechtsmacht om te vervolgen voor ICC. Dat mag alleen maar als geen nationale staat in staat zal zijn om met inzet van effectieve doorzettingsmacht zijn nationale rechtsmachtkring te activeren. Geen staat is dan bereidwillig genoeg, om die rechtsmacht effectief tot gelding te brengen via een eventuele uiteindelijke executabele uitspraak over daderschap, schuld, wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid van gedragingen die een bedreiging zijn voor de vreedzame en rechtmatige coëxistentie van de staten die de VN erkend heeft als staat. De feitelijkheden waarop deze private onderzoeksbureau’s tot op heden op azen, hebben niets te maken met de delictsposities van artikel 5 van het Statuut. Ze gaan over de betrekkingen die Khan had en heeft met zijn staf, met de staven uit andere afdelingen, expertisecentra en kamers waaruit ICC samengesteld is en die zich schier dagelijks vermeerderen en uitbreiden, maar niet gericht zijn tegen de mensheid als doelgroep. Verder geeft artikel 72 nog op dat ICC een jurisdictiekring toekomt over delicten gericht tegen de integriteit van het gerechtelijk onderzoek dat ICC geacht wordt op te zetten bij verdenkingen terzake van de delicten opgesomd in artikel 5. Maar daar vallen de feitelijkheden van die detectivebureau’s evenmin onder. Feitelijkheden deels begaan, indien bewijsbaar, op en binnen het grondgebied van het gastland. Dat daarover op grond van het territorialiteitsbeginsel exclusieve rechtsmacht heeft.

Dat is de macht die het Nederlands Openbaar Ministerie daarover zou mogen uitoefenen op basis van de ruimtelijke competentieregelen die het Wetboek van Strafrecht dat lichaam biedt. Onderzoekshandelingen gericht op activering van strafvorderlijke jurisdictie via private bureaus zijn daarom in principe onrechtmatig. Dat is ook een uitgangspunt dat ICC-rechters in dit geval voorshands innemen. Het wordt anders, indien deze bureaus zijn ingehuurd door dat Nederlandse Openbaar Ministerie in verband met een rechtsaanhangige strafzaak al is deze figuur in het wettelijk systeem van bewijsgaring dat het Nederlandse strafrecht thans kent (nog) niet bekend. Maar ondanks de aanbevelingen van deze ICC rechters heeft de vergadering van landen die betrokken zijn bij het ICC besloten om toch door te gaan met het onderzoek naar Khan. En dat is natuurlijk niet meer dan terecht. Maar het bleek ook dat er veel landen waren die het onderzoek wilden sluiten, waaronder veel Afrikaanse landen. Het toont opnieuw aan hoe gepolitiseerd dit hof is. En dat is onwenselijk en ook onverkwikkelijk. De hele affaire is buitengewoon onverkwikkelijk. Het ondermijnt het nog bestaande vertrouwen in het Internationaal Strafhof. Het ICC heeft dit over zichzelf afgeroepen, door de enorm controversiële beslissing om Israëlische hoogwaardigheidsbekleders aan te klagen. Dat was vooral een politieke keuze, ingegeven door de druk van veel landen. Maar daarbij komt nu nog het gedrag van Khan. Het zou natuurlijk veel meer voor de hand liggen dat Khan af zou treden, gezien de aard van de beschuldigingen. Maar voorlopig lijkt hij dat niet van plan. Tegelijkertijd lijkt het er nog niet op dat deze gebeurtenissen echt veranderingen gaan bewerkstelligen bij het ICC. Degenen die hopen dat het ICC de aanklachten tegen Israël moet gaan intrekken zouden wel eens van een koude kermis thuis kunnen komen. Daar lijkt voorlopig nog geen sprake van te zijn. Bovendien hebben drie rechters de arrestatiebevelen goedgekeurd. Maar de druk op het ICC zal wel flink toenemen. Maar uiteindelijk zijn er genoeg landen in het ICC die de kritische koers op Israël hoe dan ook willen doorzetten. Het is te hopen dat onze eigen Nederlandse regering, het kabinet-Jetten,  dit ook in zal zien en bereid is om afstand te nemen van het ICC. Maar ook dat zal zeer gevoelig liggen, nu het hof nota bene ook gevestigd is in Nederland dat daarvoor campagne voerde en niet zo’n beetje óók. The Hague, Legal Capital of the World doorgonsde zonnig Rome van Mons Vaticana tot aan het Circo Massimo. Kortom: het laatste woord hierover is nog niet gezegd.