Territorialiteitsbeginsel & Khan IV

Eindelijk is Hoofdaanklager Karim Khan van het Internationaal Strafhof in Den Haag geschorst in afwachting van een stemming over zijn lot. Hij deed vorig jaar al een stap terug na beschuldigingen van seksueel wangedrag. Toen Khan benoemd werd, was hij al berucht als een erotomaan. Zijn hele loopbaan als Brits topadvocaat met de rang van Queens Council was er door getekend. Daarom was die benoeming risicovol. Insiders wisten dat. Daarom keek binnen het Strafhof de gerechtelijke top er ook niet van op toen weer beschuldigingen ruchtbaar werden. Het Strafhof trok deze zaak nu disciplinair aan zich. En dat was toch echt om de doofpot te kunnen vullen. En dan met zijn allen op de deksel te gaan zitten. Het Internationaal Strafhof (ICC) deed deswege de afgelopen achttien maanden een opmerkelijk onderzoek naar de beschuldigingen tegen Khan. Die conclusies worden nu voorgelegd aan de 125 leden van het hof. Die kunnen in een stemming beslissen over Khans lot als Aanklager. Maar jurisdictie heeft ICC hier niet. Dus komt Nederland als gastland daarbij om de hoek kijken.  Het is nog niet bekend wanneer die stemming plaatsvindt. Dat moet gebeuren ten overstaan van de beheerscommissie en uitvoeringsraad van de al meer genoemde Assembly of States Parties.  Volgens een bron binnen de redacties van het internationaal persbureau Reuters en Assiocated Press staat in de conclusie dat Khan zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig wangedrag. In de praktijk heeft de schorsing geen gevolgen, want Khan had in mei vorig jaar zelf al een stap terug gedaan. De vraag blijft echter of de vlak tevoren verrichte opsporings- en strafvorderlijke ambtshandelingen van Khan geldig blijven.  Dat geldt voor de dagvaardingen die kort tevoren de deur uit werden gedaan en de arrestatiebevelen tegen bijvoorbeeld Nethanyahu en deelnemende bewindspersonen in het zittend kabinet van Israël.   Khan motiveerde zelf nauwelijks waarom hij zichzelf tijdelijk non-actief verklaarde Het is niet duidelijk waarom hij dat op dat moment deed. De beschuldigingen en de start van het onderzoek dateerden al van een jaar eerder. Twee vrouwelijke medewerkers van het ICC beschuldigen Khan van ongewenste avances en seksueel wangedrag. Hij zou een van de vrouwen onder druk hebben gezet om een relatie te beginnen en haar tegen haar wil hebben aangeraakt. De hoofdaanklager ontkent dat. Los van de beschuldigingen staat Khan net als andere medewerkers van het hof onder sancties van de Verenigde Staten. Dat land is het niet eens met onder meer een onderzoek naar oorlogsmisdaden door Israël in Gaza. Wat daar ook van zij, een voortgezet strafvorderlijk onderzoek naar dat seksuele wangedrag valt NIET binnen de competentie van het ICC.  Dat gaf ik al aan.

Het gastland Nederland heeft zich via de artikelen 3, 4 en 103 van het Statuut van Rome verplicht het ICC te aanvaarden als hoogste rechter binnen de nationale rechterlijke organisatie zoals deze bij wetsbesluit is geregeld. Het moet dus diens beslissingen over de rechtsmachtuitoefening door ICC aanvaarden, zonder eerst zelf te beslissen of het ICC een bepaalde beslissing over de rechtsmachtuitoefening wel mocht nemen. Mocht nu blijken dat Khan inderdaad seksueel grensoverschrijdende handelingen of opstellingen heeft voltooid binnen het grondgebied van Nederland dat komt hier de traditionele vraag naar de Kompetenz-Kompetenz van ICC en Gastland tegelijkertijd in het centrum van de juridische belangstelling te staan: er is een positief strafmachtsconflict mogelijk, al zal het niet aanstonds acuut zijn, net als in de gevallen waarin het al genoemde artikel 70 van het Statuut van Rome toepasselijk is. Dat artikel activeert de zogeheten collaterale jurisdictie van ICC ingeval er delicten zijn begaan gericht tegen de integriteit van de strafvordering, te plegen ten overstaan van en door het ICC in verband met verdenkingen van strafbare feiten. Delicten, die vallen onder de opsomming die artikel 5 van het Statuut weergeeft: in het kort, misdrijven gericht tegen de mensheid en de menselijkheid of humaniteit. In de loop van zulk een strafvorderlijke afdoening door ICC kan bijvoorbeeld bewijsmateriaal worden vervalst, weggemaakt, naar intellectuele inhoud worden gecorrumpeerd of gedenatureerd. Dat is het delict “tampering with evidence“.  Knoeien met bewijsmateriaal, een delictspositie die de wetgever in Nederland naar nationaal strafrecht eigenlijk nooit strafbaar heeft willen stellen.  Dergelijke strafbaarstellingen zijn gewoon te vaag van strekking en rechtsgevolgen. Nederland wil heet precieze delictsomschrijvingen. En dat zijn deze Angelsaksische strafbaarstellingen nu eens niet. Niet volgens de West-Europese continentale rechtstraditie.  Een verdachte, getuige, deskundige, slachtoffer van een feit dat valt onder artikel 5 van het Statuut is dan wel vervolgbaar voor ICC en zulks bij prioriteit. Voor die collaterale delicten.  Terwijl de vraag is of Nederland dan daarvoor de vereiste rechtsmacht heeft.  Meestal niet. Zeker als het feit buitenlands is begaan in deelneming of daar is voltooid. Datzelfde geldt voor het misdrijf van meinedigheid dat in het Statuut als “perjury” wordt aangeduid of voor dat welke neerkomt op minachting van het hof (contempt of court), een buitengemeen ruime delictspositie die ook onopzettelijk, bijvoorbeeld door grove onachtzaamheid kan worden begaan. Lelijk kijken en bekken trekken tegen een rechter kan zulk een contempt opleveren. Milosevíc kon het erg goed. Maar Nederland wil zelf van zulke excessief ruime en vage strafbaarstellingen niet weten.

 

Artikel 70, eerste lid, aanhef, sub (d) kent verder de delictspositie van het hinderen of intimideren van beambten van of bij het ICC met het oogmerk hen te beletten hun ambtsplichten naar behoren uit te oefenen, wederom een positie die Nederland nooit zelfstandig wettelijk als strafbaar heeft willen introduceren, wederom wegens de excessieve vaagheid ervan en omdat dergelijke (af)dreigingen, afpersingen of ongeoorloofde beïnvloedingen die leiden tot wilsbesluiten die de ambtsintegriteit of ambtelijke geloofwaardigheid ondermijnen in 1881 reeds uit anderen hoofde voldoende strafbaar waren gesteld als misdrijven in Boek II van het Oorspronkelijk Regeeringsontwerp. We lezen de motieven voor deze terughoudendheid bij de Staatscommissie de Wal die dat ontwerp samenstelde en dat, in dit opzicht zonder wijzigingen, de eindstreep van het wetgevingstraject in het Staatsblad haalde. De Nederland omringende staten waren in dergelijke strafbedreigingen veel scheutiger, vooral de strafwetboeken georiënteerd op de Code Pénal zoals Napoleon die invoerde in zijn Keizerrijk. Dat rijk was een recht op en nedere politiestaat was. Zulke ruimere delictsomschrijvingen kwamen ook voor in het Wetboek van Strafrecht voor de zogeheten Noord-Duitsche Bond die in 1870 naadloos overging in het Duitse Keizerrijk. De samenstellers van die wetboeken, delend in een door Nederland afgewezen rechtstraditie met betrekking tot de onvoorwaardelijke sanctionering van ieder staatsgezag, zagen in deze verstrekkende bescherming van dat gezag in iedere uiterlijke verschijningsvorm geen graten. Dat was in het wat gezapige Nederland van betere middenstanders die kiesgerechtigd waren via een fiscale census nu juist wel het geval. Voor hen was het strafrecht het allerlaatste middel om sanctionerend op te treden. Een ultimum remedium. Dat staat steeds in de Memorie van toelichting, ook bij sexdelicten. Ook in ambtsbetrekking begaan.

Die middenstanders vonden dat vervolgde burgers bij de rechtbanken best mochten liegen over hun misdrijf en de omstandigheden waaronder het begaan was en dat die burgers ook hinderlijke getuigenissen of rapporteringen van wetenschappelijke zijde mochten trachten te beïnvloeden, al gingen ze er wel van uit dat omkoping in iedere vorm strafbaar moest zijn. Ongeveer zoals ze ook vonden, redelijk uniek in Europa, dat kopers in het handelsverkeer maar moesten opletten dat ze door de verkoper niet belazerd werden. Betrug (bedrog) was en is in Duitsland al heel snel strafbaar. Maar Nederland wou dat niet. In het koophandelsverkeer was veel geoorloofd. Daar moest het strafrecht buiten blijven. Ook in gevallen van niet direct detecteerbaar bedrog. Huig de Groot had al geleerd: caveat emptor: de koper moet uit zijn doppen (blijven) kijken.  Terwijl in Duitsland juist simpel handelsbedrog meteen werd gecriminaliseerd op het hoogste niveau van het Duitse Strafwetboek, want Bismarck was commercieel niet direct erg goed onderlegd. De leden van de Commissie de Wal vond dat de burger zelf maar zijn zaakjes moest behartigen en dat hij verder in het algemeen behoorlijk weerbaar moest zijn en zich niet mocht laten intimideren hoe dan ook. Daar moest niet onmiddellijk het Openbaar Ministerie bij gehaald kunnen worden als een soort van subsidiaire achtervang voor zekere onnozelheid. Het Nederlandse strafrecht was beslist anders dan in het buitenland en het nieuwe Wetboek werd daarom als “typisch nationaal” geprezen. Het buitenland mocht zich daarom niet mengen in strafprocedures die in Nederland aangespannen moesten worden op basis van het net ontwikkelde onvoorwaardelijke territorialiteitsbeginsel. Dat beginsel was dus echt ook bedoeld als waarborgnorm voor de justitiabelen, daders en slachtoffers incluis. In Nederland was dat vanzelfsprekend. Elders niet. In het Duitsland van Bismarck al helemaal niet. Khan moet, als hij in Nederland vrouwen in zijn ambtsbetrekking seksueel heeft geïntimideerd of gedwongen tot seks in Nederland vervolgd worden. Dat zal dus problematisch worden, al is het strafrecht en het bewijsrecht bij dat soort delicten aanmerkelijk verruimd in Nederland.