De kunstartiest die de leiding had over het grijze groepje keek opgewekt in het rond en lichtte toe waarom hij gekomen was. Hij was hier om ons te vertellen dat kunst verbindt. Maar dat doet kunst alleen, als je er voor open staat. Daar kon hij niet genoeg op wijzen. We moesten daarom ook verbindend kijken. Naar elkaar. We moesten hunkeren naar verbinding. We moesten dus ons ego loslaten. Hij deed het voor. Maar ik zag nu niets opvallends of particulier aan deze kunstartiest. Hij zoemde er bij. Maar dat kon ook het t.l.-licht zijn. Dat flakkerde. De starter kon best kapot zijn, dan gaan die armaturen zoemen. Maar dat je verbonden bent, dat is dus hoorbaar. Nu weet u het ook. Geleerd van deze kunstartiest. Hij wilde dat we van het blok grijze kille massa in de rechterhand eerst die bal draaiden en dan er een soort steel aan maakten via de linkerhand. Als we daartoe bereid waren, mochten we de koffie ook wel even op de grond zetten, in de beker. Dat voegde hij er ijlings aan toe. Opdat niemand op de gedachte zou komen om de beker maar eenvoudig op de vloer uit te storten zodat de linkerhand volledig vrij kwam ter kneding. Dat moest niet: er was net mooie vloerbedekking gelegd. Je kon wel merken dat de groep daarover collectief even moest nadenken. Ik zat achterin en zag dus een siddering trekken over de kromgebogen ruggen. Iedereen dacht dus op dat moment ongeveer aan hetzelfde. En daarom, giste ik, was het proces van ontvankelijke verbinding duchtig aan de gang. We kwamen er dus wel. Een stilte viel over de menigte knedenden. Zoals in Rama, destijds, voordat het geweeklaag ten hemel rees. Kijk uw Bijbel maar na. We waren nu flink aan het knutselen en de eerste homp klei viel al kletsend op de grond. En werd bekwaam met voeten getreden in de nieuwe vloerbedekking, die, om zo te zeggen, geasfalteerd werd, want die klei, die was er straks niet meer uit te schrobben. Ik heb daar kijk op. We moesten nu de inmiddels aangebrachte steel verbreden – – klei genoeg – – en daarna met de rechterhand op de steel een bolletje knutselen en daarin een uitlopende bek met duim en wijsvinger vormen. Die moesten we uitknijpen zodat een soort snavel ontstond. En dat viel nog lang niet mee, zomaar op een woensdagochtend. Er werd gepreveld en verder werden nu hompen, steel en bekken onderling vergeleken. Want je wilt toch ergens met je creatie goed uit de bus komen en niet voor paal staan. Dat gaf de leidinggevende kunstenaar ook aan en ook waar dat op wees: we waren ons aan het afstemmen op een onderling groepsgebeuren. We hadden voeling met elkaar op bezielde wijze. We waren samen op weg om ons talent tot schepping te ontwikkelen. Wat zagen we nu in onze rechterhandpalm? Dat leek precies een eend. Een woerd, zei een bij de handte mijnheer met een heel rode broek aan. Dat gaf de kunstenaar ook graag toe: een woerd bij die meneer! Goed gedaan, mijnheer.

We hadden, zei de kunstenaar, nu minstens vijftig eenden. Dat hadden we samen geprakkiseerd. We hadden ons uit ons psychische isolement weten te werken op opmerkelijk korte termijn. We hadden nu een “wij-gevoel” gekregen, niet van onderlinge competitie, maar van gezamenlijke prestaties. Nu was de vraag, wat voor associaties we daarbij kregen. Want die hadden we ongetwijfeld voelen opborrelen, dat ging in een groepsgebeuren altijd zo. De vraag was of we die associatie konden verbaliseren, onder woorden brengen. Wie kon dat? Dat werd, dat zag ik al aankomen, niet bepaald dringen. Ik dacht aan de heer Gijs Pardoel van het Eindhovens Jeugdatelier die ons jongens op de Rooms-Katholieke Sint Willibrordusschool aan de Zeelsterstraat te Eindhoven, waar ik opgroeide, kunstzinnigheid was komen bijbrengen namens de Stichting “De Krabbendans”. Dat was in de zestiger jaren van de vorige eeuw, toen ik nog jong was en veelbelovend de toekomst hossend tegemoet rende. De heer Pardoel was een vormend kunstenaar, eveneens typisch een verschijning in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Je ziet ze niet veel meer. Zeker niet in het wild. Ze mogen afgeschoten worden als ze overlast geven. Pardoel deed dat nog niet. Maar hij was er op weg heen. Dat zag je aan zijn beelden, die onbegrijpelijk waren, als in een koortsdelier vervaardigd. Hij maakte ook draadconstructies naast die beelden. Schilderde ook. Consequent non-figuratief. Hij zat in de uitkeringsregeling die destijds “De Kontra” werd genoemd: de contraprestatie die een kunstenaar moest leveren ten gemene nutte in ruil voor de redelijk riante uitkering van rijkswege die men als erkend kunstartiest kreeg als men kunst maakte, maar die niet aan de straatstenen kwijt kon. En zulke mensen waren er destijds in menigte. Pardoel was er één van. Dat kon je meteen al zien aan zijn merkwaardige grote alpino. Hij was dus verplicht om schoolgaande jeugd het heil bij te brengen dat kunst in het algemeen teweeg bracht bij het klootjesvolk. Dat was het volk, dat was duidelijk, dat naar fabriek en kantoor ging om den brode en dat geen kunst voortbracht. Dat waren mensen die eigenlijk tot een hoger niveau verheven moesten worden, want anders zaten ze gedurende de avonduren en de vrije weekeinden maar stomweg televisie te kijken, naar de zo in deze tijd geliefde spelprogramma’s zoals wie-van-de-drie. En dat was niet goed. Het was evenmin verkieselijk dat men op een camping ging zitten in een caravan met een krat pils. In deze weekeinden die voor het eerst werkelijk vrij waren. Die vrijheid, zei de regering, moest men cultureel uitnutten. En niet door vieze moppen uit te wisselen of te sjoelen of te toepen. Men moest zich ontwikkelen. En om dat te leren moesten de rakkertjes die het klootjesvolk voort placht te brengen naar het van gemeentewege opgerichte jeugdatelier waar iemand als de heer Pardoel ons ging leren hoe je je via kunst ontwikkelt. Hij deed dat ook vaak met bonken klei die hij scheutig uitdeelde en waarmee wij als die rakkertjes ook geen weg wisten. Dat was mijn vrije associatie die ik kreeg op deze bijeenkomst van bejaarden. Maar ik hoopte toch dat de kunstartiest die de leiding had mij zou overslaan bij de vraagronde naar onze hoogstpersoonlijke associaties die deze seance bij ons opriep. Want Pardoel, die kon ik wel makkelijk slijten. Dacht ik. Maar die “Kontra” weer niet. De BKR-regeling: de subsidieregeling voor Beeldende Kunstenaars die toch een basisinkomen garandeerde via “De Krabbendans”. Die instelling zat in het oude paleis van justitie aan het Stratumseind. En daar werd veel gezopen na elven in de ochtend. Ook door de heer Pardoel. Dat was zichtbaar. En verenigde de rakkertjes. Gelukkig gaf de kunstenaar die ons vormde in het verpleeggesticht geen beurt aan mij. Dat was ook nooit opbouwend geweest voor het wij-gevoel. Ik erken het.
