De ouderdom komt met gebreken, al willen we het niet weten. Leven is opstaan, blinken, weer verzinken, u kunt het bij veel protestantse mensen fraai geborduurd zien in kruissteek op de merklap die men vroeger over de kap hing van een Friese staartklok. Daarop borduurde men dan het thema van de “trap des levens”. Die trap kent u wel. De eerste scène is gewijd aan de boreling. Kraaiend in de wieg. De tweede aan de jongelingsjaren waarin gestudeerd moet worden met vlijt. Dan de derde fase van het huwelijk met de voortplantingsperikelen van dien, dan die van de welgeslaagde middelbare leeftijd vol welgevallen over het gepresteerde en vervolgens de krakkemikkige ouderdom. Met de grijsaard, gebogen op de krukken, starend naar het kerkhof met zijn toekomstige zerk. De lap moet naar mottenballen vermengd met pepermunt geuren en wordt in het voorjaar duchtig gewassen. Je ziet alleen maar konterfeitsels van mensen erop die deze fases succesvol doorliepen. Mislukkingen komen niet voor, althans in kruissteektaferelen niet. Je ziet nu nooit eens een man die overduidelijk op middelbare leeftijd aan de drank is en ergens in een park de nacht door brengt op een bank, terwijl hij de slaap tracht te vatten gewikkeld in kranten en vuilniszakken, al komen die in mijn buurt echt veel voor, dat soort mislukte mannen. Ze liggen dan bij het rustieke bruggetje dat de gemeente Den Haag deed slaan over de waterpartij bij de Koekamp tegenover het Centraal Station. Ze hebben lege flessen bij de vleet onder de bank, zodat je zeker weet dat ze ’s nachts niet droog hebben gestaan. Je kunt het ook merken aan de wasem om het moede lichaam heen die zich mengt met de nevels die tegen zonsopgang zich uit de wateren ontwikkelen die Den Haag zo’n schilderachtige atmosfeer geven met zilte geuren, maar dan moet je natuurlijk niet dichter bij de bank komen waarop de slapende grommend zich ligt te krabben.

Het is een mooi tafereel. De soepbus staat al stationair te brommen voor de koffierondes die aanstonds voor mislukkelingen veil is. En daartussen drommen beleidsambtenaren, bij duizenden scrollend op hun smartphones op weg naar hun klankbordgroepen en managementteams. Allemaal met lege blikken en gebogen hoofden. In het heil van uiteenvallend en imploderend Nederland. Vergrijzing is daarbij ons onvervreemdbaar erfdeel, maar éérst moet er gedementeerd worden dat het een lieve lust is. Mijn wijkverplegingsteam doet weten bij folder dat je je daarop allemaal naarstig moet voorbereiden en niet moet wachten totdat het te laat is. Want dan is het te laat. En hebt u de bus gemist. Daarom ging ik naar een ontmoetingsbijeenkomst met bejaarden die al merkten dat hun langetermijngeheugen langzamer liep. Onder het thema dat kunstzinnige uitingen verbindend werken onder soortgenoten met wie men deze defecten gemeen heeft. En die een vangnet kunnen zijn. Dat terug veert. Kunst verenigt en leukt op. Je moet er alleen voor open staan. Ik ging dus met openhangende jas. En er was een duidelijke kunstenaar al aanwezig, die ons warm welkom heette. Met ontvangstkoffie. En een blok klei. Zo’n grijze natte vierkante. Die zuigend in de handpalm ligt. Er waren zeker vijftig mensen. Allemaal met zo’n blok. In de rechterhand. En een karton koffie naar keuze in de linker. Er kwam ook een dame met koekjes. Die wou ik natuurlijk ook hebben. Een koek in de morgen verdrijft kommer en zorgen. Maar omdat ik geen hand meer vrij had, viel ik op zekere wijze uit de boot. Ik zou deze verenigende sessie koekloos uitzitten. Mijn probleem kwam toen de kunstenaar die ons bewogen toesprak over kunst die verenigt, ons beval van het blok een bal te maken. Een mooie ronde bal. Dat wou ik wel. Maar ik had mijn handen al vol. Zo zitten allerlei belemmeringen je in de weg op de gang naar vereniging en toewending tot je lotgenoten. Het valt mij steeds weer op. Ik heb er mijn hele leven lang al last van. Je hoeft er dus niet dement voor te worden. Het gebeurt, om zo te zeggen, gewoon van zelf. Net als sterven.
