De heer Bardoel was dus genoodzaakt om ons op woensdagmiddag, als we vrij waren, onderricht te geven in de ontwikkeling van de latent aanwezige kunstzinnigheden die ieder mensenkind schijnt te hebben en die zo verbindend werkten. En dat doen ze nog steeds. Zoals ik ook op deze woensdagochtend merkte aan de Van Alkemadelaan. In het verenigingsgebouw van de werkverpleegkundige dienst. Want de eigenaardige eenden die wij voortgebracht hadden, zomaar, spontaan, als een opwelling van een innerlijke aandrift en toch op aanwijzing van bevoegden die er voor doorgestudeerd hadden, werden nu door de reien oudere dames grondig geïnspecteerd en vervolgens van een eindoordeel voorzien. Dat had de voorgaande kunstartiest dan toch maar bereikt, haast ik mij alvast op te merken. De grijze hoofden kwamen nu flink in beweging en aan vele gemoedsaandoeningen werd lucht gegeven op die welgearticuleerde luidruchtige wijze met de nadruk op de medeklinkers die verraadt dat men degelijk school heeft gegaan. Meestal op het Sint Aloysius-college van de paters Jezuïeten, iets verder op. De mannen die er waren – duidelijk een bedreigde minderheid – zaten er wat primair verweesd bij. Het was meteen duidelijk dat hun mening niet alleen er niet toe deed, maar dat de veruiterlijking ervan op sonore wijze geenszins op prijs werd gesteld. Die mijnheer met een opvallend rode broek liet wel even van zich horen. Maar meteen ook doeltreffend afgedempt. Hij had er, zeiden de belendende belerende dames, helemaal geen kijk op. Ook al had hij wellicht associaties. Ze deden er gewoonweg niet toe. Het gezwatel steeg nu tot hoger toon, maar de leidende kunstartiest wist het toch te beteugelen.

Daarom meende ik dat men aan mijn mijnheer Pardoel geen boodschap had. Dat had ik denk ik, wel erg goed aangevoeld. Bijna iedere dame had wel een eigenstandig idee van kunst en kunstzinnigheid en lichtte zulks omstandig toe, waarbij de toon steeds forser werd omdat de wanden behoorlijk weerkaatsten. De laatste die de boventoon denkt te voeren wordt dan simpelweg overschreeuwd door de nakomende spreekster wier slapen dan duidelijk de begeleidende aderzwelling doen zien. Er was straks soep te verkrijgen, merkte ik, dus dit ging nog wel even duren. Er was nu ook een arts in de buurt die voorlichting kon geven over deskundige begeleiding bij allerlei aandoeningen die bij de ouderdom horen en die ook verwijzingen kon uitschrijven voor palliatieve behandelingen. En ik dacht weer aan Pardoel, aan wie ik al decennia geen gedachte had gewijd. Hij kwam altijd te laat op een rammelende fiets. En hij had hem flink hangen van het ondergistend Belgisch Bier dat het het café “De Krabbendans” ruim gesleten werd. De heer Pardoel had duidelijk geen zin in ons. En wij niet in hem. Burgertjes in aanbouw, dat was dweilen met de kraan open. Daar besteedde de heer Pardoel verder geen echte aandacht aan, maar er moest verdomme wel gewerkt worden door die roetjongens, want anders kwamen er moeilijkheden van. In verband met de Kontra, die uitkering dus. En ook Bardoel deelde geeuwend bonken klei kletsend uit die hij met een pats op onze zwartgeverfde lessenaar zette. Het thema van onze wrochtsels was deze woensdag “De Ontmoeting”. Dat moesten we nu eens uit onze zieltjes uitknijpen in die klei. Pardoel wilde aan het eind van de les dertig verschillende ontmoetingen zien, was dat goed begrepen? En wie het echt mooi had uitgebeeld mocht zijn product meegeven aan Pardoel opdat het echt gebakken werd in een oven. Dan, jongens, hebben jullie kunst gemaakt. Dan stijgen jullie boven je zelf uit, gaf de heer Pardoel boerend te kennen. Want dat ondergistend bier zat hem toch dwars. Het is niet ieders kopje thee. Ik maakte een compositie van een mannetje dat enthousiast begroet werd door een tegen hem opspringende hond. Je kon het meteen zien. Dat was een ontmoeting, zoals ontmoetingen bedoeld zijn. Pardoel zat inmiddels te slapen op zijn podium. Ik zette mijn compositie dus om vijf uur zachtjes voor hem neer op zijn katheder. En vond het geval de volgende woensdag gebakken op mijn bank. Waarom het geen kunst was, dat wist mijn moeder mij onmiddellijk duidelijk te maken en ook dat het duur was geweest. Kon ik nu niet eens beter mijn best doen? En verder had ik mijn overhemd onherstelbaar besmeurd met vegen klei. En verf. Dat was niet meer te reinigen door wasserij “Morgenlicht”. Ook al reed die rond met een paard en wagen op de huif waarvan reclame gevoerd werd over een stralend witte was. Het was echt wat voor mij om er zo’n smeerboel van te maken. Daarom zweeg ik ook maar bij deze bijeenkomst aan de Van Alkemadelaan. Ik voelde mij dementer dan ooit. En misplaatst.
