Omdat de Nederlandse bevolking almaar ouder wordt alsof het niets kost, krijgen we ook steeds meer te maken met allerlei verslechteringen in het centrale breinwerk die het aldagelijks bestaan buitengewoon kunnen bemoeilijken. De ziekte van Alzheimer en de verschillende varianten van dementie. Ook daartegen treft de wijkverpleging in het Benoordenhout allerlei voorzorgsmaatregelen. Regeren is vooruitzien. Daarom wordt er in Nederland liefst helemaal niet geregeerd. Want vooruitzien is moeilijk en vooral het uitserveren van de gevolgen van bepaalde noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen. Die laat men dus maar achterwege. Ik ben nu aangesloten, als klant, bij die wijkverpleging, niet omdat het op dit moment zo dringend noodzakelijk is, maar omdat ik alvast wil wennen aan het gegeven dat mijn zelfredzaamheid niet optimaal zal blijven. Daarom ga ik ook naar allerlei evenementen die deze verpleging organiseert. Er was nu iets gereedgekomen als een dementvriendelijke lokaliteit. En omdat ik mij daarbij geen voorstelling kan maken ben ik dus naar een bijeenkomst gegaan waarin we deze lokaliteit kunnen bewonderen en de daaraan verbonden faciliteiten. Want je moet met Gods genade meewerken. Daar kan ik niet genoeg op wijzen. En laat dat maar aan mij over. De ontvangst was in de tuin, waar ook dranken en hapjes gereed stonden en verpleegkundigen gastvrij zich onder de mogelijke cliënten mengden. Ik kon vaststellen dat de omliggende panden gemiddeld aardig in de verf zaten, maar dat er op bepaalde punten beslist wel wat meer gedaan zou kunnen worden aan het opgaand metselwerk met de lateibouwen waarop de massieve balkons in deze buurt rusten. Want die lateien roesten zonder dat je er erg in hebt en gaan torderen. Dan drukken ze het metselwerk uit de voegen. En dan is Leiden pas goed in last. Er was een combo, die dit alles rustgevend begeleidde, in jazz-stijl.

De ruimte die bestemd was voor de beoogde verzameling dementen was voorzien van rustgevende tinten. Er waren geen drempels, hoezeer ik en velen met mij ook trachtten nodeloos erover te struikelen. En de mijnheer met de opvallend rode broek was er óók. Deze keer met een strooien hoed op. Hij herkende mij. En groette zelfs. Ik kwam dus overduidelijk in de buurt van de verbinding die de vorige keer bij het kleien was beloofd althans aangezegd. De dementieruimte leek mij verantwoord uitgevoerd. Verven in rustgevende tinten. Vrolijk zou ik het vertrek niet noemen, maar verantwoord ingericht zeker wel. Opbouwende litteratuur in de buurt en ergonomische zitjes. Het hang- en sluitwerk leek mij gedegen en optimaal verankerd. Overduidelijk waren de bordjes die wezen naar de toiletten verderop terwijl een dame, naast wie ik gezeten was, met grote nadruk haar artritis behandelde en de medicatie die niet hielp. En verder, waarom het geenszins te rechtvaardigen was dat ze verplicht was tot een eigen bijdrage aan deze medicatie. Ze had altijd hard gewerkt in het christelijk maatschappelijk hulpbetoon en was volledig ten onrechte voortijdig met vervroegde uittreding opgesolferd zonder dat ze compensatie had gekregen voor het daardoor ontstane pensioengat. Terwijl ze toch recht had op een Zwitserlevengevoel. Dat hadden haar vriendinnen, wier man al lang tot de vaderen was verzameld, namelijk allemaal wel. De rest van de tafel luisterde, voornamelijk omdat de tafel tegen een perk was aangeschoven en de zetels zo waren geplaatst dat men niet makkelijk kon opstaan. Al verhaalde de dame indringend over die artritis en het feit dat haar kunstgebit niet goed paste. Dat bleek ook overduidelijk toen de bitterballen en mini-bamischijfjes werden rond gepresenteerd, want voor de inwendige mens werd ter dege gezorgd. De mevrouw met de artritis woonde op de derde woonlaag aan de Van der Aa-straat. En daar waren géén liften. Dat was geen werk. Maar het was zo. Ik herkende ook een statige heer die tijdelijk directeur was geweest van de Afdeling Juridische Aangelegenheden bij het departement van Buitenlandse Zaken. Hij was een beroerde directeur geweest. Dat erkenden vriend en vijand ambtshalve. Hij liep minzaam zegenend rond van groep tot groep. Hij liet zo nu en dan een onderzoekend oog op mij vallen. Was dat niet dat vervelende rotzakje van Justitie dat hem het leven destijds vergalde met nodeloze vragen? Omdat ik heel goed heb leren kijken alsof ik dat rotzakje niet ben – het is een gave – kwam deze ex-leidinggevende gelukkig mijn ambtelijke antecedenten niet verifiëren. Hij trok zich terug met twee dames die hunkerend naar hem opzagen. Het feit dat hij iets hoogs was geweest straalde van hem af. Al had hij geen onderscheiding in de revers. Vermoedelijk omdat de decoratie die hij had zo hoog was dat dat knoopsgat dat niet kon torsen. Ik besloot dus weg te gaan, wetend dat men dementie rustgevend zou behandelen. Dus die van mij ook. Een hele geruststelling. Daar heeft men op zekere leeftijd gewoon behoefte aan. Een begeleiding tot aan de uitvaart zonder schokkende taferelen. Met verantwoorde muziek en teksten over de ontslapene. Die een voortreffelijk mens was geweest. Ook als dat beslist betwistbaar was. Hetgeen meestal het geval is. Ook in het mijne. Dat haast ik mij om daaraan toe te voegen. Wat zeg ik? Vooral in mijn geval. Daar is bewijs genoeg van. Vooral in mijn departementaal personeelsdossier. Geen aantrekkelijk proza. Eens zullen de bazuinen zingen.Eens, als de bazuinen klinken, uit de hoogte, links en rechts, duizend stemmen ons omringen, ja en amen wordt gezegd, rest er niets meer dan te zingen, Heer’, dan is uw pleit beslecht. Dan weet u het óók.
