Wanneer men een volledige geïntegreerde reorganisatie op poten zet van een complex beheers en bestuursapparaat als het departement van Justitie ziet men deze factievorming die ik in de voorgaande blog trachtte te omschrijven vanzelfsprekend aankomen. Er zijn ambtenaren die een herschikking toejuichen. Meestal niet op de grote schaal die aangekondigd wordt. En ook niet voor wat betreft de middellange termijnconsequenties die daarbij horen, wat expertises betreft en wat personeel aangaat. Er zijn ook ambtenaren die van stond af aan goed opposant zijn van deze ingrepen. In ieder geval die welke voorgesteld worden juist op dat tijdstip en onder die bepaalde omstandigheden. Justitie is een van de oudere departementen sedert 1813, het begin van ons Koninkrijk. Het koesterde altijd bepaalde beheerstradities, ook omdat het ervaren had dat veranderingen langdurige misverstanden en rechtsonzekerheden te weeg brengen. Vooral omdat rechtspraak politiek altijd heel gevoelig ligt. Natuurlijk niet in de bulk van gestandaardiseerde zaken. Gelukkig maar. Maar er zijn nu eenmaal steeds weer hypergevoelige kwesties in aanhangig ook al beseft men dat gelukkigerwijze niet steeds voortdurend omdat daarvoor geen actuele aanleiding bestaat. De scheiding van de machten speelt steeds mee, ook weer omdat het een kostbaar bezit is, dat moeizaam verworven blijft en nooit vanzelf spreekt. Nooit. Dat is ook in de negentiende eeuw steeds weer gebleken, reeds omdat onze Grondwet deze scheiding vooronderstelt, maar niet echt uitputtend definieert. Laat staan dat het scheidingsbeginsel artikelsgewijs is gecodificeerd met de bijbehorende rechtsgevolgen in de staatsregeling. Er was geen beginnen aan, omdat de grenzen tussen uitvoering en regelgeving fluïde blijven en omdat rechters nu eenmaal toch óók genoodzaakt blijven subsidiaire invullingen te geven aan wetgevingsredacties die steeds knulliger schijnen te worden, ook omdat de wettenmakers geen goed Nederlands meer weten te schrijven.

Je moet het totale rechtsbedrijf min of meer overzien om deze scheidingsleer werkbaar te maken en te houden, reden, waarom de klassieke raadadviseur vanaf 1881 verondersteld werd ook grote praktijkervaring te hebben die hij bleef bijhouden. Cort van der Linden, de oorlogspremier 1913-1918, was de eerste raadadviseur die aan dat profiel voldeed. En op hem was het toegeschreven. Cort had dan ook dat rechtsbedrijf waarachtig van alle kanten kunnen beproeven, ook als praktizijn en advocaat. Daarom was het ongelukkig dat juist Borghouts de manager werd van de hierbesproken justitiële reorganisatie. Want hij kwam van Binnenlandse Zaken en was vooral bekend met politie-aangelegenheden en kwesties van openbare orde. En hij had te maken gehad met de redactie van de nieuwe Politiewet waarbij een Nationale Politie werd opgezet waarbij hij ook nog eens te maken had gehad met de jennerige raadsadviseur Cees Fasseur die hierin gold als bolleboos en zonnekoning. Fasseur mocht uiterst vindingrijk jennen en sarren, zich voorstaande op de eigen flexibiliteit en openheid om zijn wetsontwerpen te laten bekritiseren door minder taalvaardige lieden die niet zo soepel waren in het produceren van gestileerde wetgevingsparagrafen als Cees zelf. Kwam men hem echt te na, dan haalde hij flink uit en liet de tegenstander alle hoeken van de kamer zien, de tegenstander grijnzend en overigens schofferend en treiterig wegzettend als mislukte HBSer. En dat waren er nogal wat.
Daaronder Harry Borghouts. Die kon dat dan niet zetten en vergat het nooit. Deze reorganisatie, uit de koker van Sorgdrager, was dus Harry’s godsgeschenk. Soms zit het mee in het leven. Nu had Borghouts de beheptheid de structuren die hij had leren hanteren bij Binnenlandse Zaken te prolongeren voor Justitie. Rechters en Officieren van Justitie placht Harry te zien als een soort burgemeesters. Die, uiteindelijk, bij openbare orde problemen moesten doen wat de minister zei of opdroeg. Toen nog wel. Rechters konden dus bij circulaire ook best aangestuurd worden en Officieren moesten vooral vaak op hun flikker krijgen. In alle rechtsaanhangige zaken. Dat was de conceptuele visie van Harry op de rechterlijke organisatie. Het departement ging weliswaar over de centen van de organisatie. Maar wie de beurs had, had uiteindelijk ook de macht. Verder waren wetten bedoeld als legitimatiekaders voor gewenst beleid van Justitie en dus vooral kaderstellende raamwerken. Harry ervoer dat bij Justitie daar raadsadviseurs heel anders over dachten. En dat moest ophouden. Omdat Harry meende, en terecht, dat hij daarvoor niet de juiste ontvankelijkheid kon verwachten bij de oude hap, had hij departementale spionnen nodig die verzetshaarden opspoorden en vernietigden. Daaronder zijn goede borrelvriend van Binnenlandse Zaken die hij als een bekwaam matennaaier had weten te waarderen. En die werd daarom directeur Wetgeving. Om daar de tent eens flink uit te roken. Daar kreeg je lekkere stokvis van. Zout, maar de borrel smaakte er best bij. En beter door.
