Van Laarhoven I

De strafzaak tegen Johan van Laarhoven kan de waarborgende betekenis van het territorialiteitsbeginsel in de hierbedoelde absolute zin illustreren. Deze zaak-Van Laarhoven draait om de Tilburgse ex-coffeeshophouder Johan van Laarhoven en zijn ex-vrouw Tukta, die in 2014 in Thailand werden opgepakt en tot lange celstraffen werden veroordeeld na een rechtshulpverzoek van het Nederlandse Openbaar Ministerie. In februari 2026 oordeelde de Rechtbank Den Haag dat de Nederlandse Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld en wees hun schadeclaims af.  De achtergronden en detenties van Van Laarhoven geven aan dat hij van den beginne af aan een object was van een positief jurisdictieconflict tussen Nederland en Thailand.  Het conflict vloeide mede voort uit het feit dat Johan van Laarhoven de oprichter was van de Brabantse coffeeshopketen The Grass Company. Deze keten werd statutair gelocaliseerd in Nederland, maar had wereldwijde effecten omdat de klandizie vele nationaliteiten omvatte. In dit verband speelde verder een rol dat jegens The Grass Company een officieel gedoogbeleid toepasselijk was vanwege het Nederlandse Openbaar Ministerie. Wat de Company deed en placht te ondernemen was in strijd met de strafwetgeving omtrent de verdovende middelen die op misdrijfniveau straffen bedreigde tegen de door de Company als bestendige bedrijfspolitiek ondernomen handel in drugs. Wat Van Laarhoven deed was leiding geven in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht aan dergelijke misdrijven. Maar hij had bestuursrechtelijke gronden te veronderstellen dat Nederland hem vooralsnog niet zou vervolgen. Hij emigreerde in 2008/2009 met zijn Thaise echtgenote naar Thailand om te rentenieren. Door een Nederlands rechtshulpverzoek startten de Thaise autoriteiten een onderzoek, waarna het paar in 2014 werd gearresteerd op basis van witwassen. Heling dus. Voor het verhandelen van door misdrijf verkregen fabricaten geschikt om ter consumptie in omloop gebracht te worden. Wereldwijd, overigens. Niet alleen in Nederland, dus. Aziatische staten waren daarom zeer gebrand op een vervolging van Van Laarhoven. Die feitelijk, gelet op de concernverhoudingen, zou kunnen uitlopen op integrale bedrijfsstillegging. Daarin was eigenlijk het hele Verre Oosten geïnteresseerd.  Dat Nederland door zijn gedoogbeleid zijn verdragsverplichtingen niet nakwam die voortvloeiden uit VN-verdragen was bezwaarlijk te loochenen.  Thailand, dat zeer zwaar tilt aan opiumdelicten en drugsgerelateerde feiten had al meermalen zijn ongenoegen uitgesproken over dat gedoogbeleid, dat dus niet specifiek op Van Laarhoven was toegepitst.  Het was generiek beleid. Gestandaardiseerd. Wat vooral in ontwikkelingslanden en BRICS-staten steeds meer ongenoegen opwekt.
Dat was Van Laarhoven ook bekend. Maar hij nam het risico. Door af te reizen naar Thailand.  Johan Van Laarhoven kreeg  in Thailand in hoger beroep een celstraf van bijna 69 jaar opgelegd (oorspronkelijk 103 jaar), zijn vrouw kreeg 12 jaar. Zij zaten jarenlang vast in zware en mensonterende omstandigheden in Thaise gevangenissen. Begin 2020 werd Johan overgebracht, kennelijk mede op aandringen van Nederland,  naar Nederland, waar hij in september 2020 vrijkwam; zijn ex-vrouw werd medio 2020 vervroegd vrijgelaten. De feiten waarop de veroordeling betrekking had, de heling dus, meermalen begaan als voortgezet delict, waren begaan in Nederland. Op dit moment loopt nog steeds een procedure waarbij Van Laarhoven wil aantonen dat Nederland jegens hem onrechtmatig handelde door géén volledige jurisdictie uit te oefenen over het feitencomplex dat sedert 2011 bij het Openbaar Ministerie in geuren en kleuren bekend was. Er loopt immers vanaf 2011 al een Nederlands strafrechtelijk onderzoek onder nummer BRZ408.  In het kader van dat onderzoek wordt in 2012-2013 onderzocht in hoeverre Thailandse autoriteiten een rol kunnen spelen bij rechtshulp. Daar vinden al verschillende informele ontmoetingen plaats.  Dat is tussen partijen ook in confesso. Voorts is onbetwist gebleven dat de Staat van deze ontmoetingen kennis heeft gehad via de bevoegde ambtsdrager, de Officier van Justitie die het onderzoek opgemeld startte. Deze Officier heeft dat gemeld aan de hoofdofficier die daarvan gewag heeft gemaakt via het beraad van de hoofdofficieren dat zich sedert 2000 ontwikkeld heeft. Dat beraad stelde het College van Procureurs-Generaal op de hoogte dat uiteraard gelet op de luid van artikel 128 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie zoals gewijzigd in 2000 de politiek verantwoordelijke bewindspersoon op de hoogte stelde, reeds omdat rechtshulpverkeer met Thailand altijd per definitie politiek gevoelig ligt. 
Zulks,  gezien de reputatie van Thailand als actuele politiestaat, waar het leger voortdurend beschikt over noodbevoegdheden geldend voor tijden van oorlog en beleg en waar zelfs standrecht geldt in bepaalde risicodragende zones. Van een sluitende en adequate scheiding der machten, basisveronderstelling van de Rule of Law is geen sprake. Had onder deze omstandigheden niet voor de hand gelegen op basis van de positieve werking van het territorialiteitsprincipe ex artikel 2 ( u voelt het al aankomen) dat het Openbaar Ministerie het hele complex had vervolgd in 2011 of daaromtrent daarna? Had het nalaten in dit opzicht om zulks te doen niet tot gevolg dat Van Laarhoven mocht aannemen dat Nederland in ieder geval voor de helingen geen jurisdictie, middellijk of onmiddellijk, zou gaan uitoefenen, ook niet door ten laste van Van Laarhoven rechtshulp te gaan verlenen in de zaken die Thailand terstond zou aanhangig maken nadat Van Laarhoven in Thailand was gearriveerd? Het gaat, let op, niet zozeer om wat Thailand tevoren deed ten laste van de Grass Company of Van Laarhoven. Het gaat ook niet om het Thaise vervolgingsrecht om hem alsnog in Thailand te vervolgen. Dat vervolgingsrecht had het op basis van het universaliteitsbeginsel én het territorialiteitsbeginsel. Deze rechtsmachtgrondslagen waren er. Dat volgde meteen uit het feit dat Thailand steeds toetreedt tot ieder verdrag dat zich richt op de bestrijding van drugshandel.  Het gaat erom, dat het Nederlandse Openbaar Ministerie niettegenstaande de gedoogbeslissing toch reden vond om rechtshulp aan te vragen en te verlenen in hetzelfde feitencomplex waarvoor eerst gedogen de opstelling was waarvoor het Openbaar Ministerie koos, niettegenstaande de Nederlands verdragspositie die dat juist voor zware drugs uitsloot.