De gloednieuwe Noordduitsche Bond had destijds te maken met territoriale geopolitieke verschuivingen waarbij Frankrijk op dat moment aanstalten maakte om de linker Rijnoever tot aan de Noordzee weer te kunnen aanmerken als natuurlijke grens van Frankrijk. In 1870 leidde dat tot de merkwaardige Frans-Duitse oorlog, die tegen ieders verwachtingen in leidde tot een volkomen overwinning voor Pruisen dat al aanspraak had gemaakt op Luxemburg en delen van Nederland Limburg. Limburgse dienstplichtigen werden al geacht deel uit te maken van de Bondstroepen ingevolge de Pruisische universele dienstplichtwet. Daartegen reageerde de commissie-de Wal. Ik gaf dat al aan. En men moet haar standpuntbepalingen te dezen dan ook in het licht van die dreigingen zien. Uiteraard lieten ze het wettelijk nationale systeem niet onberoerd. Ze vreesde dat Bismarck, mocht het doenbaar zijn, Nederland zou annexeren als oorspronkelijk onderdeel van het Heilig Roomse Rijk Teuntonischer Nation dat Bismarck beoogde te herstellen met het daaraan eigen merkwaardige jurisdictierecht. Daarvan wilde de commissie verre blijven. Vandaar dat artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht met zijn vergaande positieve en negatieve uitwerkingen. De commissie dacht vooral aan de onmogelijke positie waarin Nederland Noord-Limburg zou komen als onderdeel van het Hertogdom Gelre waarmee Keizer Karel V Habsburg in 1543 zulk eigenaardige vrede had gesloten waardoor de Bourgundische Kreis ineens onderdeel was geworden van dat Rijk. Niet echt voor lang, maar op een kardinaal moment in de periode 1555-1568 waarin de Nederlanden externe soevereiniteit waren gaan opeisen met (dus) jurisdictionele gevolgen. Bismarck overwoog deze inscharing en eiste voor Noord-Limburg deelname aan een militair Bondscontingent in het Veldleger van de Bond. Waardoor Nederland natuurlijk in tal van jurisdictieconflicten kon terecht komen.
Dat kwam Bismarck goed uit, als hij daardoor beslag zou kunnen leggen op de Nederlandsch-Indische Archipel die aan alle zijden openlag. Londen zou dat nooit toelaten. En ook niet dat Noord-Limburgers in dat Bondsleger soldaat zouden moeten worden. Whitehall voorzag een langdurig militair conflict waarin aldus ook Nederland zou worden meegesleept via die Limburgse dienstplichtigen tegen wil-en-dank. Dat zou Whitehall erg goed uitkomen. Want als Frankrijk en Pruisen beiden zouden doodbloeden op Het Continent was Londen twee hinderlijke commerciële concurrenten kwijt. Het had in 1814 veel gezien in een volkomen vereniging van de Noordelijke Nederlanden en de Zuidelijke. Maar als militaire bufferstaat om Londen ruim de tijd te geven volkomen te mobiliseren tegen Frankrijk als het weer eens agressief zou worden. Niet als handelsconcurrent. En daartoe hadden beide staatjes zich na 1830 waarachtig tegen alle verwachting economisch ontwikkeld. De noordelijke Nederlanden hadden via het cultuurstelsel met zijn batige sloten de hele Nederlandsch-Indische Archipel tot vruchtbaar wingewest kunnen maken en tot grootschalig afzetgebied voor de textielindustrie uit Noord-Brabant, vooral in de sector van het lijfskatoen op confectiebasis. En de Belgen waren hard op weg de vijfde industriële mogendheid te worden waarbij geen Engelse firma uiteindelijk als concurrent stand zou houden. Het was daarom beter dat beide de ruggegraat gebroken werden door Frankrijk en Pruisen, dus buiten de begrotingen van Londen om. Whitehall besloot deze evoluties niets in de weg te leggen en koos daarom voor rabiate neutraliteit in het komend onvermijdelijk conflict. Berlijn zou daarvan profiteren. Maar geen Engelse industrieel zag in Pruisen een realistische concurrent. Nog niet. Dat is de achtergrond van de artikelen 2-8 van het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht. Het lot van de Limburgse dienstplichtigen was daarbij de passarelle. Dat wist de commissie-de Wal maar al te goed. Dat jurisdictieconflict diende geëlimineerd te worden en te blijven.

Omdat deze jongemannen te maken konden krijgen met de zware straffen ingevolge de Duitse strafwet bij niet-opkomen of bij diensten aan vijandelijke mogendheden die Nederland zelf niet als vijand kon beschouwen. De Bond immers keurde het plaatsvervangingsstelsel principieel af. Maar Nederland handhaafde het. Nederland wenste geen hoogstpersoonlijke individuele dienstplicht. Dat bleek een constitutioneel principe te zijn. De Limburgse dienstplichtige, opkomend voor zijn nummer maar voorziend in plaatsvervangerschap, kon dus deserteur zijn naar Pruisisch recht terwijl hij placht te doen wat naar Nederlands recht volkomen geoorloofd was. Om maar iets te noemen. Ze zouden te maken kunnen krijgen met de Pruisische vergaande strafbaarstellingen inzake hoog- en landverraad die nooit in Nederland enig equivalent konden hebben. Ze zouden verplicht zijn de Nederlandse neutraliteitspolitiek te doorkruisen, met gevaar voor de Nederlandse staatszelfstandigheid. Voor Denemarken gold iets dergelijks – het had al veel grond aan Pruisen moeten afstaan — en ook dat koos dus voor het territorialiteitsbeginsel als constitutionele waarborgnorm. Omdat Denemarken krachtens de vredesregelingen met Pruisen in de eerdere Deense oorlogen in ieder geval voorlopig verzekerd kon blijven van zijn grondgebied.
