Terugleiding van Van Laarhoven III

Dat Thailand volledig toereikende rechtsmacht heeft is door niemand betwist. Niet in de Thaise zaak-Van Laarhoven. Het heeft dat ook op basis van het territorialiteitsbeginsel, ook zoals Nederland. Maar verder heeft het nog rechtsmacht op basis van een breed personaliteitsbeginsel, waarbij de rechtsmacht ook geldt als een Thai slachtoffer is van een drugsgerelateerd delict in het buitenland. In het begin wil Thailand zelfs vervolgen voor alle feiten – ook die in Nederland hebben plaatsgevonden – maar dan maakt Officier Lucas van Delft de afspraak dat de Thai zich zullen beperken tot het witwassen van het in Thailand verkregen vermogen. Daarvoor krijgen ze in 2015 decennia lange gevangenisstraffen. Dat blijft in het Thaise hoger beroep ook zo. Er is al die tijd geen sprake van een aanhangige Nederlandse strafzaak. Er is wel nog steeds het lopende Nederlandse onderzoek. Het Nederlandse Openbaar Ministerie wil, zo geeft het op, geen uitleveringsverzoek naar Thailand doen, want dan zouden ze rechtsmacht verliezen over de fiscale zaak. Voor belastingfeiten kan immers niet worden uitgeleverd. De Grondwet verbiedt dat categorisch overigens steeds in samenhang met het dwingend verdragsbeginsel.  Een uitleveringsverdrag geldt niet voor fiscale feiten.

Staan ze toch in het verzoek, dan moet de rechter deels daarvoor ontoelaatbaar verklaren. Alleen is nu weer het probleem – en dat heeft kennelijk de Officier parten gespeeld– dat maar niet duidelijk wordt in de Uitleveringswet wat “fiscale feiten” nu precies zijn. Anderzijds gaan fiscale feiten bijna altijd gepaard met valsheden in verklaringen over aangiften, eerdere heffingen en rulings zodat praktisch wordt gekozen voor dergelijke commune kwalificaties in het uitleveringsverzoek. Bovendien hebben veel verdragen tegenwoordig de fiscale exceptie bij de rechtshulpverlening geschrapt, zij het helaas weer in verschillende bewoordingen en clausules. Maar ten aanzien van Thailand IS er geen rechtshulpverdrag. Dus die hobbel moet de Officier kennelijk onoverkomelijk hebben geducht. De Officier vermijdt daarom iedere referte aan het fiscale complex dat Van Laarhoven toch later wel weer parten zal gaan spelen in de Nederlandse strafzaak. De Officier zal ook gedacht hebben dat de dubbele strafbaarheid, de normidentiteit, te makkelijk met vrucht  zou kunnen betwist. Zie HR 7 mei 1996, NJ 1996, nr 541. De jurisprudentie op artikel 11, vierde lid, waarbij fiscale feiten worden uitgezonderd van de uitleveringsbetrekkingen is weinig duidelijk.

Maar deze beperking van het Thaise verzoek kan niet meebrengen dat NIET is uitgeleverd: men moet bij uitlevering steeds kijken naar de materiële strekking van de verwijderingshandeling waaraan de Staat middellijk of onmiddellijk meewerkt. En die strekking is: de gedwongen fysieke verwijdering van enig persoon uit de Nederlandse territoriale rechtssfeer ter fine van opsporing, vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van een eindgewijsde betreffende een misdrijf dat naar het recht van beide partijen een bepaalde minimale wettelijke strafbedreiging behelst. Is die strekking er, dan is de verwijdering uitlevering. Dan behoren de processuele waarborgnormen van uitlevering gevolg te worden en zo niet, dan is van verkapte uitlevering sprake, hetgeen naar Nederlands recht en Westers recht onrechtmatig is. Dat is standaardjurisprudentie sedert Rex versus Chiswick Police Station Superintendent Ex parte Sacksteder, Kings Bench 1918 Vol I. pp. 578 vv en HR NJ 1963, nr 509 (Wallace), sedertdien steeds volledig door Nederlandse uitleveringsrechters gevolgd.  Zie de onder artikel 1 Uitleveringswet geciteerde standaardarresten.